ECLI:NL:RVS:2001:AB0270
Raad van State
- Hoger beroep
- P. van Dijk
- R.W.L. Loeb
- F.P. Zwart
- Rechtspraak.nl
Ongegrond hoger beroep inzake strengere pootringvereisten Vogelwet als handelsbelemmering
De zaak betreft een geschil over de toepassing van de Vogelwet en het Vogelbesluit inzake het verplicht stellen van een naadloos gesloten pootring voor slechtvalken. A had een slechtvalk ingevoerd uit Duitsland, voorzien van een open pootring die door Duitse autoriteiten was erkend. De Nederlandse autoriteiten verleenden een vergunning onder de voorwaarde dat de vogel een naadloos gesloten pootring zou dragen, wat praktisch onmogelijk was.
De president van de arrondissementsrechtbank Maastricht vernietigde het besluit van de minister omdat dit een niet gerechtvaardigde handelsbelemmering vormde. De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad overwoog dat hoewel het verbod op het houden van slechtvalken zonder naadloos gesloten pootring een strengere maatregel is dan de EG-verordening en Vogelrichtlijn voorschrijven, lidstaten wel bevoegd zijn om strengere nationale maatregelen te treffen binnen de grenzen van het EG-Verdrag.
De Raad stelde vast dat de strengere eisen een handelsbelemmering vormen, maar dat de minister niet aannemelijk had gemaakt dat de toepassing van deze eis voor de onderhavige slechtvalk noodzakelijk en evenredig was. De overgangsregeling die open pootringen toestond voor in gevangenschap geboren vogels werd als passend beschouwd. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de president bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de president bevestigd.