ECLI:NL:RVS:2001:AB0602
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.K.W. Bartel
- M.G. Tuinhout
- Rechtspraak.nl
Vaststelling waarde ondernemingsvermogen bij intrekking voorwaardelijke toevoeging rechtsbijstand
Appellant kreeg een voorwaardelijke toevoeging voor rechtsbijstand in verband met een echtscheidingsprocedure. Na beëindiging van de rechtsbijstand werd de toevoeging ingetrokken wegens overschrijding van de vermogensgrens van f 20.000,00. De Raad voor Rechtsbijstand had de waarde van het ondernemingsvermogen vastgesteld op basis van een balans van juli 1994 in plaats van de vereiste balans per 31 december 1994.
De Raad van State oordeelt dat bij waardering van het ondernemingsvermogen rekening moet worden gehouden met de bedrijfswaarde als going concern, inclusief overwinstcapaciteit (goodwill) of onderrentabiliteit (badwill). De Raad voor Rechtsbijstand had geen rekening gehouden met badwill, terwijl de winst van appellant aanzienlijk lager was dan een normale ondernemersbeloning.
Verder heeft de Raad voor Rechtsbijstand nagelaten de bedrijfsgegevens door een accountant te laten beoordelen en heeft hij geen adequaat overleg gevoerd met appellant. Hierdoor is de waarde van het ondernemingsvermogen niet op juiste wijze vastgesteld.
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt eerdere uitspraken en het besluit tot intrekking, en draagt de Raad voor Rechtsbijstand op binnen zes weken opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de Raad veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de voorwaardelijke toevoeging wordt vernietigd en de Raad voor Rechtsbijstand wordt opgedragen opnieuw te beslissen.