ECLI:NL:RVS:2001:AB0712

Raad van State

Datum uitspraak
22 februari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200002888/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B. van Wagtendonk
  • M. Groverman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:21 AwbArt. 125 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Handhaving bestemmingsplan tegen illegale detailhandelsactiviteiten in bijgebouw

De zaak betreft een geschil over het gebruik van een bijgebouw als showroom en verkoopruimte voor kachels en open haarden, wat volgens het geldende bestemmingsplan niet is toegestaan. Burgemeester en wethouders van Oirschot hadden een verzoek tot handhaving tegen deze activiteiten afgewezen, waarna de rechtbank dit besluit vernietigde. Zowel de gemeente als de eigenaar van het pand stelden dat er sprake was van gerechtvaardigd vertrouwen dat de activiteiten waren toegestaan.

De Raad van State oordeelt dat het bedrijfsmatig te koop aanbieden en verkopen van kachels en open haarden in het bijgebouw kwalificeert als detailhandel en daarmee in strijd is met het bestemmingsplan. Het ontwerp- en kantoorgebruik valt wel onder een aan huis gebonden beroep, maar dit rechtvaardigt niet de detailhandelsactiviteiten.

Verder stelt de Raad dat het door de gemeente gewekte vertrouwen geen reden is om af te zien van handhaving, omdat de belangen van omwonenden op handhaving van het bestemmingsplan prevaleren. Er is geen zicht op legalisering van de illegale situatie. De Raad bevestigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt burgemeester en wethouders in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de handhaving tegen de illegale detailhandelsactiviteiten wordt bevestigd.

Uitspraak

Raad
van State
200002888/1.
Datum uitspraak: 22 februari 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1 . burgemeester en wethouders van Oirschot,
2. A, wonend te B,
appellanten,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 4 mei 2000 in het geding tussen:
C, wonend te B
en
appellanten sub 1.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 oktober 1998 hebben appellanten sub 1 (hierna burgemeester en wethouders) het verzoek van C te B (hierna: C) om handhavend op te treden tegen bedrijfsactiviteiten op het perceel […] […] te B, afgewezen.
Bij besluit van 16 maart 1999 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door C gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie Bezwaar- en Beroepschriften van 24 februari 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 4 mei 2000, verzonden op 17 mei 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door C ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben burgemeester en wethouders bij brief van 15 juni 2000, bij de Raad van State ingekomen op 19 juni 2000, en appellant sub 2 (hierna: A) bij brief van juni 2000, bij de Raad van State ingekomen op 28 juni 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 23 september 2000 heeft C een memorie van antwoord ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2001, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. G.A. Janssen en G.W.M. Seuntjens, beiden ambtenaar der gemeente, en A in persoon, bijgestaan door H.E.M. van Rees, zijn verschenen. Voorts is C, die in persoon is verschenen, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. A ontwerpt kachels en open haarden en verkoopt en levert deze aan particulieren. Hij gebruikt een bijgebouw bij zijn woning op het onderhavige perceel als ontwerp- en kantoorruimte en als showroom. De fabricage en de aflevering van de kachels en open haarden geschiedt elders.
Het geschil betreft het gebruik van het bijgebouw voorzover daar bedrijfsmatig kachels en open haarden te koop worden aangeboden en worden verkocht en daarin exemplaren van deze producten zijn uitgestald en worden aangeprezen.
A betoogt in hoger beroep allereerst - kort samengevat - dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hier sprake is van verboden detailhandelsactiviteiten.
Voorts betogen zowel A als burgemeester en wethouders dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het jegens A van gemeentewege gewekte vertrouwen als zodanig geen bijzonder geval oplevert dat kan leiden tot de afwijzing van het verzoek van C om handhavend tegen die activiteiten op te treden.
2.2. Het oordeel van de rechtbank dat hier sprake is van een illegale situatie waartegen burgemeester en wethouders handhavend kunnen optreden, is juist. Het betoog van A treft derhalve in zoverre geen doel. Daartoe wordt het volgende overwogen.
2.2.1. Op de plankaart van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Sonnevanck, herziening 1990" is het betrokken perceel aangewezen voor "Woondoeleinden", zonder de aanduiding "winkel toegestaan".
Ingevolge artikel 5.1 van de planvoorschriften zijn de als zodanig op de kaart aangegeven gronden bestemd voor woondoeleinden met bijbehorende tuinen, erven en overige voorzieningen. De gronden met de aanduiding "winkel toegestaan" zijn op de kaart tevens bestemd voor winkel.
Ingevolge artikel 5.3.1, aanhef en onder a, aanhef en sub 3, en onder b, van de planvoorschriften is het verboden de in dit artikel bedoelde gronden en opstallen te gebruiken in strijd met de bestemming, en wordt onder gebruik in strijd met de bestemming in ieder geval begrepen: gebruik van de grond voor detailhandelsactiviteiten en gebruik van opstallen voor detailhandelsactiviteiten behoudens indien het betreft opstallen welke op de kaart zijn aangeduid als "winkel toegestaan".
Ingevolge artikel 5.3.2 van de planvoorschriften wordt gebruik van delen van de woningen of gebruik van bijgebouwen ten behoeve van een aan huis gebonden beroep geacht overeenkomstig de bestemming te zijn voorzover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, van de planvoorschriften wordt onder een aan huis gebonden beroep verstaan: het uitoefenen van een beroep of beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerp-technisch of hiermee gelijk te stellen gebied.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder k, van de planvoorschriften wordt onder detailhandel verstaan: het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), het verkopen en/of leveren van goederen aan degenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
2.2.2. Gelet op artikel 1, aanhef en onder k, van de planvoorschriften, moet het in het geding zijnde, hiervoor omschreven, gebruik worden aangemerkt als detailhandel, reeds omdat sprake is van bedrijfsmatig te koop aanbieden en verkopen van kachels en open haarden. Dat levering elders plaatsvindt, is niet relevant.
Deze detailhandelsactiviteiten zijn, gelet op artikel 1, aanhef en onder g, van de planvoorschriften, niet aan te merken als de uitoefening van een aan huis gebonden beroep. Dat ontwerp-technische activiteiten wel als zodanig kunnen worden aangemerkt, is voor de beantwoording van de vraag of sprake is van detailhandel in de zin van de planvoorschriften niet van belang. Hetzelfde geldt voor de stelling - wat er ook zij van de juistheid daarvan - dat de detailhandelsactiviteiten ondergeschikt blijven aan de woonfunctie, dan wel aan de ontwerp-technische activiteiten.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat, gelijk de rechtbank heeft geoordeeld, hier sprake is van gebruik in strijd met de bestemming, hetgeen op grond van artikel 5.3. 1, voormeld, is verboden.
2.3. Indien door belanghebbende derden uitdrukkelijk is verzocht om tegen de illegale situatie op te treden, kan alleen in bijzondere gevallen van handhavend optreden worden afgezien. Een bijzonder geval kan worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering van de illegale situatie.
2.4. Gesteld noch gebleken is dat zich hier een mogelijkheid voordoet om de illegale situatie te legaliseren. Van gemeentewege is ook niet overwogen om zodanige mogelijkheid te scheppen.
2.5. Het betoog van A en van burgemeester en wethouders dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het jegens A van gemeentewege gewekte vertrouwen als zodanig geen bijzonder geval oplevert dat kan leiden tot de afwijzing van het verzoek van C om handhavend tegen die activiteiten op te treden, treft evenmin doel.
Appellanten hebben in dit verband gewezen op het primaire besluit van 19 oktober 1998, waarin burgemeester en wethouders hebben uiteengezet dat A het bijgebouw als kantoor gebruikt en haardkachels ontwerpt, dat het gebouw dus ook ontwerp-technisch wordt gebruikt, dat tijdens het gesprek met de toenmalige wethouder Van de Wal is gebleken dat het hier gaat om een aan huis gebonden beroep, en dat met A is afgesproken dat een en ander is toegestaan, ervan uitgaande dat de activiteiten worden uitgeoefend op een wijze die harmonieert met de omgeving en dat daarmee werd bedoeld dat er geen sprake mocht zijn van verkeersaantrekkende werking en dat het bezoek binnen de normale perken bleef.
Hoewel twijfel mogelijk is over het antwoord op de vraag of bij A een verderstrekkend gerechtvaardigd vertrouwen kan zijn opgewekt dan dat het zou zijn toegestaan het bijgebouw te gebruiken als kantoor en voor ontwerp-technische werkzaamheden, heeft de rechtbank - die daarvan impliciet wel lijkt te zijn uitgegaan - met juistheid overwogen dat een bij de overtreder van een wettelijk voorschrift opgewekt vertrouwen geen afbreuk kan doen aan de in beginsel bestaande aanspraak van een omwonende op handhaving van het bestemmingsplan. Niet valt in te zien dat laatstbedoeld belang zonder meer zou moeten wijken voor een bij de overtreder opgewekt vertrouwen. In aanmerking genomen, gelijk de rechtbank heeft gedaan, dat het betrokken verboden gebruik objectief bezien een niet geringe inbreuk op het geldende planologische regime oplevert, maakt de omstandigheid dat dit gebruik volgens burgemeester en wethouders geen hinder van betekenis oplevert het vorenstaande niet anders.
2.6. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.7. Burgemeester en wethouders dienen op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep van C.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt burgemeester en wethouders van Oirschot in de door C in verband met de behandeling van hun hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 275,00; dit bedrag dient door gemeente Oirschot te worden betaald aan C.
Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Groverman, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Wagtendonk w.g. Groverman
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2001
110.
Verzonden: 22 februari 2001
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,