ECLI:NL:RVS:2001:AB0715

Raad van State

Datum uitspraak
12 maart 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200000361/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • J.A.M. van Angeren
  • F.P. Zwart
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering exploitatievergunning voor alcoholvrije inrichting op basis van levensgedrag

In deze zaak heeft de Raad van State op 12 maart 2001 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de weigering van de burgemeester van Kerkrade om een exploitatievergunning voor een alcoholvrije inrichting te verlenen. De burgemeester had de vergunning geweigerd op basis van het oordeel dat de appellant van slecht levensgedrag was, wat in strijd zou zijn met de eisen van de Drank- en Horecawet en de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De burgemeester baseerde zijn oordeel op de aanwezigheid van de appellant in de politieadministratie vanwege overtredingen van de Opiumwet, waarbij hij softdrugs zou hebben verkocht of voorradig heeft gehad.

De appellant betoogde dat, zelfs als hij in strijd met de Opiumwet had gehandeld, dit niet automatisch betekende dat hij van slecht levensgedrag was. Hij stelde ook dat de rechtbank ten onrechte niet alleen veroordelingen, maar ook verdenkingen had betrokken bij de beoordeling van zijn levensgedrag. De Raad van State oordeelde echter dat er geen beperkingen waren opgelegd aan de feiten of omstandigheden die bij de beoordeling van het levensgedrag mochten worden betrokken. De Raad bevestigde dat de burgemeester in redelijkheid tot het oordeel had kunnen komen dat de appellant niet voldeed aan de eisen van de APV en de Drank- en Horecawet.

De uitspraak bevestigde de eerdere beslissing van de rechtbank, die het beroep van de appellant ongegrond had verklaard. De Raad van State concludeerde dat de burgemeester terecht de vergunning had geweigerd, gezien de omstandigheden en de feiten die aan de weigering ten grondslag lagen. De beslissing werd genomen in het openbaar, waarbij de Raad de uitspraak in naam der Koningin deed.

Uitspraak

Raad
van State
200000361/1.
Datum uitspraak: 12 maart 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
A, wonend te B,
appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 13 december 1999 in het geding tussen:
appellant
en
de burgemeester van Kerkrade.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 mei 1997 heeft de burgemeester van Kerkrade (hierna: de burgemeester) geweigerd appellant vergunning voor het exploiteren van een alcoholvrije inrichting te verlenen.
Bij besluit van 17 april 1998 heeft de burgemeester het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 13 december 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 januari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 24 januari 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 28 april 2000 heeft de burgemeester van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2000, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door J. Vreuls, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 2.3.4.2., eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders, danwel van de burgemeester, ieder voor zover het hun/zijn bevoegdheid betreft, in een inrichting alcoholvrije drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken.
Ingevolge artikel 2.3.4.4., eerste lid, moet voor het verkrijgen van een vergunning een natuurlijk persoon de leeftijd van 18 jaren hebben bereikt en voldoen aan de eisen die bij of krachtens artikel 5, tweede lid, aanhef en letters a en b, van de Drank- en Horecawet worden gesteld aan de bedrijfsleiders en beheerders.
Ingevolge artikel 2.3.4.6., eerste lid, voor zover thans van belang, wordt de vergunning geweigerd, indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in voormeld artikel 2.3.4.4.
Ingevolge artikel 5, tweede lid, aanhef en onder b, van de Drank- en Horecawet, mogen bedrijfsleiders en beheerders niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.
Ingevolge het derde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur voorts andere eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van bedrijfsleiders en beheerders worden gesteld en kan voormelde eis nader worden omschreven. Dat is gebeurd bij het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet van 29 mei 1967, Stb. 298 (nadien gewijzigd bij besluiten van 22 april 1981, Stb. 292 en 30 mei 1996, Stb. 278, hierna: het Besluit).
2.2. De burgemeester heeft de vergunning geweigerd; omdat appellant naar zijn oordeel van slecht levensgedrag is en derhalve niet voldoet aan de in artikel 2.3.4.4. van de APV gestelde eisen, nu hij voorkomt in de politie-administratie van 13 maart 1997 terzake van overtreding van de Opiumwet en uit opgemaakte processen-verbaal van 25 augustus, 17 september en 16 december 1997 is gebleken dat hij softdrugs heeft verkocht, danwel voorradig heeft gehad.
2.3. Appellant betoogt - samengevat weergegeven - dat de rechtbank heeft miskend dat, ook al zou hij hebben gehandeld in strijd met de Opiumwet, hij daarmee nog niet van slecht levensgedrag is. Voorts heeft de rechtbank volgens hem miskend dat bij de beoordeling van zijn levensgedrag ten onrechte ook verdenkingen en niet uitsluitend veroordelingen zijn betrokken.
2.4. Dit betoog faalt. In het Besluit is geen nadere omschrijving gegeven van de eis dat de bedrijfsleiders en beheerders niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mogen zijn. Zoals de Afdeling Rechtspraak eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 december 1982 in zaak no. A-32.6759, - AB 1983/315) zijn, gelet hierop, alsook op het feit dat de tekst van artikel 5, noch de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling tot een andere opvatting dwingt, geen beperkingen opgelegd ten aanzien van feiten of omstandigheden, die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. Voorts valt niet in te zien dat de burgemeester, gelet op de in de betrokken processen-verbaal gerelateerde feiten en omstandigheden, niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat appellant niet voldoet aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
Ingevolge artikel 2.3.4.6., eerste lid, van de APV, was de burgemeester onder die omstandigheden gehouden de gevraagde vergunning te weigeren, zoals hij heeft gedaan.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Van Duuren
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2001
293.
Verzonden: 12 maart 2001
Voor eensluidend afschrift
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze