ECLI:NL:RVS:2001:AB1245
Raad van State
- Hoger beroep
- A. Kosto
- P.M.M. de Leeuw-van Zanten
- Rechtspraak.nl
Intrekking jachtakte wegens gegronde vrees voor misbruik vuurwapenbevoegdheid
De korpschef trok op 13 februari 1998 de jachtakte van A in vanwege een proces-verbaal waarin A werd verdacht van onder meer verkrachting (art. 242 WvSr Pro). De minister verklaarde het beroep van A tegen deze intrekking ongegrond. De rechtbank te Alkmaar oordeelde echter dat er onvoldoende feitelijke grondslag was voor de intrekking, omdat geen gebruik van vuurwapen was vastgesteld en geen andere relevante feiten bekend waren die misbruik konden rechtvaardigen.
De Raad van State stelde de minister in het gelijk en vernietigde het vonnis van de rechtbank. De Afdeling oordeelde dat de houder van een jachtakte een uitzonderingspositie heeft en dat het volledige vertrouwen moet bestaan dat hij zich aan de wettelijke regels houdt. Strafbare feiten, ook zonder gebruik van vuurwapen en zonder onherroepelijke veroordeling, kunnen gegronde redenen opleveren om misbruik te vrezen.
De Raad van State benadrukte dat de aard en ernst van de strafbare gedragingen op zichzelf voldoende zijn om vrees voor misbruik te rechtvaardigen. De belangrijke rol van de jacht in het leven van A doet hieraan niet af. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de jachtakte wordt gehandhaafd vanwege gegronde vrees voor misbruik van vuurwapenbevoegdheid.