ECLI:NL:RVS:2001:AB1860
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- E.C.R. Schut
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging rechtsbijstand wegens kansloze vordering
Appellant verzocht om toevoeging rechtsbijstand op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) voor een vordering waarbij hij wilde laten verklaren dat hij aan zijn wederpartij niets verschuldigd was. Het bureau rechtsbijstandvoorziening en de raad voor rechtsbijstand wezen dit verzoek af, waarna appellant beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. De Raad van State heeft het hoger beroep van appellant behandeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Dit omdat appellant reeds bij verstek was veroordeeld tot betaling aan zijn wederpartij, en hij geen aannemelijk gemaakt verweer heeft gevoerd dat zijn vordering kans van slagen heeft. Daarom is het verzoek kennelijk kansloos en kan op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wrb geen rechtsbijstand worden verleend. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de toevoeging rechtsbijstand wegens een kansloze vordering.