ECLI:NL:RVS:2001:AB2051

Raad van State

Datum uitspraak
17 mei 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200003409/1.
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A. Kosto
  • M.E.E. Wolff
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a Leerplichtwet 1969Art. 10:15 AwbArtikel VI Overgangs- en slotbepalingen derde tranche Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring delegatiebesluit leerplichtambtenaar wegens ontbreken wettelijke grondslag

Appellant, de leerplichtambtenaar van de gemeente Nieuwkoop, had geweigerd verlof te verlenen aan A voor het niet bezoeken van school door diens minderjarige kinderen in maart 1999. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank die het besluit van appellant vernietigde wegens onbevoegdheid, stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State.

De kern van het geschil betrof de vraag of de leerplichtambtenaar bevoegd was om op grond van een delegatiebesluit de bevoegdheid tot het verlenen van verlof over te dragen. De Raad van State overwoog dat artikel 13a van de Leerplichtwet 1969 de bevoegdheid uitdrukkelijk aan het hoofd toekent en dat noch in deze wet noch elders een wettelijke grondslag bestaat voor delegatie aan appellant.

De Raad van State verwierp het betoog van appellant dat de wetgever met de overgangsbepalingen van de Algemene wet bestuursrecht een uitzondering had willen maken op de vereiste van wettelijke grondslag voor delegatie. De Awb codificeert volgens de Raad de vaste rechtspraak dat delegatie slechts is toegestaan indien wettelijk voorzien.

Daarmee is het delegatiebesluit van 22 januari 1998 rechtskrachtloos en het besluit van 4 februari 1999 onbevoegd genomen. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep van de leerplichtambtenaar wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

Raad
van State
200003409/1.
Datum uitspraak: 17 mei 2001.
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de leerplichtambtenaar van de, gemeente Nieuwkoop,
appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 5 juni 2000 in het geding tussen:
A, wonend te B
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 februari 1999 heeft appellant geweigerd A verlof te verlenen als bedoeld in artikel 13a van de Leerplichtwet 1969 (hierna: Leerplichtwet) dat zijn drie minderjarige kinderen de school gedurende de periode van 19 tot en met 26 maart 1999 niet bezoeken.
Bij besluit van, 12 juli 1999 heeft appellant het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de bezwaarschriftencommissie a.i. van de gemeente Nieuwkoop van 12 juli 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 5 juni 2000, verzonden op 6 juni 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, het besluit van appellant van 4 februari 1999 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit. Deze uitspraak is aangehecht. [redactie: ELROnummer url('AA6720',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=20370)]
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 17 juli 2000, bij de Raad van State ingekomen op 18 juli 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 23 oktober 2000 heeft A een memorie van antwoord ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2001, waar appellant in de persoon van R.E. van Veen, en J. Winkel, in persoon en vertegenwoordigd door mr. Klazinga, advocaat te Haarlem, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellant heeft ten onrechte betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat de wetgever met artikel VI van de Overgangs- en slotbepalingen derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bewust een uitzondering heeft willen maken op de gangbare praktijk inzake delegatiebesluiten ten aanzien van de Leerplichtwet.
Uit het feit dat artikel 10: 15 van de Awb, welk artikel bepaalt dat delegatie slechts geschiedt indien in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien, ten aanzien van de Leerplichtwet 1969 nog niet in werking is getreden, vloeit niet voort dat geen wettelijke grondslag is vereist. De Awb codificeert immers op dit punt de vaste rechtspraak, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen.
In de Leerplichtwet is de bevoegdheid, als bedoeld in artikel 13a, - uitdrukkelijk toegekend aan het hoofd, terwijl in deze noch in enige andere wet een grondslag kan worden gevonden voor de overdracht van deze bevoegdheid aan appellant.
Het delegatiebesluit van 22 januari 1998 mist derhalve rechtskracht, zodat het oordeel van de rechtbank dat het besluit van 4 februari 1999 onbevoegd is genomen, juist is.
2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.
w.g. Kosto w.g. Wolff
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2001.
238
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,