Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2001:AB2453

Raad van State

Datum uitspraak
28 juli 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200101445/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.J.R. Bakker
  • M.J. van der Zijpp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet milieubeheerBesluit luchtemissies afvalverbrandingArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen milieuvergunning Demkolec B.V. in Haelen

Bij besluit van 6 februari 2001 verleenden gedeputeerde staten van Limburg een milieuvergunning aan Demkolec B.V. voor het veranderen van een inrichting aan de Roermondseweg 55 te Haelen. Verzoekers, waaronder een milieuorganisatie, stelden beroep in tegen deze vergunning en verzochten om een voorlopige voorziening.

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het verzoek op zitting en concludeerde dat de vergunning betrekking heeft op proeven met secundaire brandstoffen in een energiecentrale, waarbij voorschriften zijn gesteld om emissies en geluidbelasting niet te laten toenemen. Uit het dossier en een rapport van KEMA blijkt dat naleving van deze voorschriften niet in gevaar is.

Verzoekers voerden aan dat onverwijlde spoed vereist is vanwege mogelijke toename van schadelijke uitstoot, maar de Voorzitter vond onvoldoende aanwijzingen voor een spoedeisend belang. Ook het betoog over onvoldoende coördinatie volgens de Wet milieubeheer werd niet gevolgd.

De Voorzitter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 28 juni 2001.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de milieuvergunning voor Demkolec B.V. wordt afgewezen.

Uitspraak

Raad
van State
200101445/2.
Datum uitspraak: 28 juni 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
de stichting "Stichting tot behoud leefmilieu Buggenum, Haelen, Horn, Nunhem en naaste omgeving", gevestigd te Buggenum, en anderen,
verzoekers,
en
gedeputeerde staten van Limburg,
verweerders.
1. Procesverloop
a001
Bij besluit van 6 februari 2001, kenmerk CD 6471, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Demkolec B.V.” een vergunning verleend voor het veranderen van een inrichting op het adres Roermondseweg 55 te Haelen. Dit besluit is op 16 februari 2001 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben onder meer verzoekers bij brief van 25 maart 2001, bij de Raad van State ingekomen op 26 maart 2001, beroep ingesteld.
Bij brief van 25 maart 2001, bij de Raad van State ingekomen op 26 maart 2001, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 mei 2001, waar verzoekers, vertegenwoordigd door ing. A.M.L. van Rooij, gemachtigde,
en verweerders, vertegenwoordigd door J. Balendonck, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. C.H. Blanksma, advocaat te Amsterdam, en J.T.W. Pastoors, gemachtigde, daar gehoord.
In het verhandelde ter zitting heeft de Voorzitter aanleiding gezien partijen in de gelegenheid te stellen nadere stukken in het geding te brengen.
De Voorzitter heeft het verzoek vervolgens behandeld ter zitting op 26 juni 2001, waar verzoekers, vertegenwoordigd door ing. A.M.L. van Rooij, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door J. Balendonck, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. C.H. Blanksma, advocaat te Amsterdam, en J.T.W. Pastoors, T. van Woerkom en J.L. Raas, gemachtigden, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. De vergunning ziet, kort weergegeven, op het doen van proeven met het op beperkte schaal inzetten van secundaire brandstoffen in de inrichting in kwestie (een energiecentrale) tot 31 december 2001.
Verzoekers zijn van mening dat met name in verband met een mogelijke (toename van) uitstoot van schadelijke stoffen onverwijlde spoed vereist dat, in afwachting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure, het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening wordt geschorst.
2.3. In het aan de vergunning verbonden voorschrift 1 is onder meer bepaald dat als gevolg van de proeven de luchtemissies (inclusief geur) en de geluidbelasting niet mogen toenemen ten opzichte van hetgeen is toegelaten op grond van de eerder voor de inrichting verleende milieuvergunningen. Verder zijn in voorschrift 10 voor een aantal stoffen concentratie-eisen opgenomen, die blijkens het bestreden besluit zijn afgeleid van de normstelling die is opgenomen in het Besluit luchtemissies afvalverbranding.
De Voorzitter ziet geen reden om aan te nemen dat bij naleving van deze voorschriften als gevolg van de proeven onaanvaardbare emissies of geurhinder optreedt.
2.4. Verweerders hebben zich bij het nemen van het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat niet behoeft te worden verwacht dat de voorschriften niet kunnen of zullen worden nageleefd. Zij hebben er daarbij op gewezen dat de in te zetten secundaire brandstoffen qua samenstelling grote overeenkomsten vertonen met de primaire brandstof (kolen). Dat verweerders dit standpunt konden en mochten innemen, blijkt uit een in opdracht van vergunninghoudster opgesteld rapport van KEMA van 17 mei 2001. De overige stukken noch het verhandelde ter zitting leiden tot een ander oordeel. Hierbij merkt de Voorzitter nog op dat uit onderzoeken naar aanleiding van een inmiddels uitgevoerde proef met inzet van RWZI-slib blijkt dat geen overschrijding van de gestelde normen heeft plaatsgevonden.
2.5. Voorzover verzoekers stellen dat geen juiste coördinatie als bedoeld in paragraaf 8.1.3.2 van de Wet milieubeheer heeft plaatsgevonden, overweegt de Voorzitter in de stukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende aanknopingspunten te vinden voor een dergelijk oordeel.
2.6. Ook in hetgeen verzoekers voor het overige hebben aangevoerd vindt de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vereist dat een voorlopige voorziening wordt getroffen.
2.7. De Voorzitter ziet derhalve geen aanleiding om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.R. Bakker, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.
w.g. Bakker w.g. Van der Zijpp
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2001
262.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,