2.6. Verzoekers voeren aan dat verweerders ten onrechte hebben beslist dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die het maken van een milieueffectrapport rechtvaardigen. Zij zijn van mening dat er in de kenmerken van de activiteit, de plaats waar de activiteit wordt verricht, de samenhang met andere activiteiten ter plaatse en de kenmerken van de gevolgen van de activiteiten verscheidene bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 7.8b van de Wet milieubeheer aanwezig zijn die het maken van een milieueffectrapport rechtvaardigen.
Verweerders voeren aan, mede op advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage, tot het oordeel te zijn gekomen dat er in het onderhavige geval geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die het opstellen van een milieueffectrapport noodzakelijk maken.
Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen, ten aanzien waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.8b en 7.8d van die wet moet bepalen of voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij wordt ondernomen, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
In artikel 7.8a, eerste lid, is bepaald dat, indien degene die een activiteit onderneemt, aangewezen krachtens artikel 7.4, voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een krachtens dat artikel aangewezen besluit, hij dat voornemen schriftelijk mededeelt aan het bevoegd gezag.
Ingevolge artikel 7.8b, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voorzover van belang, neemt het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder deze activiteit wordt ondernomen, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
De in het bestreden besluit vergunde activiteiten worden in bijlage D, categorie 43 van het Besluit milieueffectrapportage 1994, zoals gewijzigd bij besluit van 7 mei 1999 aangewezen krachtens artikel 7.4 van de Wet milieubeheer als activiteit waarbij het bevoegd gezag moet bepalen of voor die activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij wordt ondernomen, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
Uit de stukken blijkt dat verweerders hun besluit dat in het onderhavige geval geen milieueffectrapport behoeft te worden opgesteld baseren op een door de Commissie voor de milieueffectrapportage op 2 december 1999 uitgebracht advies. In hetgeen verzoekers aanvoeren ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het standpunt dat verweerders zich niet aan het dit advies hebben kunnen conformeren. De Voorzitter is dan ook van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat er in de onderhavige situatie geen bijzondere omstandigheden zijn die het opstellen van een milieueffectrapport noodzakelijk maken.