ECLI:NL:RVS:2001:AB3311
Raad van State
- Hoger beroep
- B. van Wagtendonk
- M. Vlasblom
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State in hoger beroep tegen uitspraak rechtbank inzake vreemdelingenbewaring
Appellant, van buitenlandse nationaliteit, werd op 10 maart 2001 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen dit besluit stelde hij beroep in bij de rechtbank, die op 5 april 2001 het beroep ongegrond verklaarde. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de bevoegdheid van de Afdeling om kennis te nemen van het hoger beroep. Volgens artikel 120 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 is hoger beroep alleen mogelijk tegen besluiten bekendgemaakt na de inwerkingtreding van deze wet. Artikel 121 bevat Pro overgangsbepalingen voor situaties waarin de vreemdeling al in bewaring was gesteld vóór die datum.
De Afdeling oordeelde dat het nieuwe recht niet van toepassing is op besluiten tot inbewaringstelling genomen vóór 1 april 2001 en dat de Afdeling daarom niet bevoegd is hoger beroep te behandelen tegen uitspraken van de rechtbank die op dat oude recht zijn gebaseerd. Aangezien appellant vóór de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring was gesteld, verklaarde de Afdeling zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep.
Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan in het openbaar op 4 mei 2001 door de voorzitter en leden van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank.