ECLI:NL:RVS:2001:AB9195

Raad van State

Datum uitspraak
16 mei 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200101373/1 en 200101373/2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • B. van Wagtendonk
  • J.H.C.A. Muller
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar samenvoegingsvergunning wegens gebrek aan belanghebbende

Het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-West verleende een vergunning voor samenvoeging van twee woningen. Appellant maakte bezwaar tegen deze vergunning, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant niet als belanghebbende werd aangemerkt. De president van de arrondissementsrechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.

Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening. De Raad van State overwoog dat volgens de Algemene wet bestuursrecht alleen belanghebbenden bezwaar kunnen maken. Hoewel de vergunning mogelijk gevolgen heeft voor huurders, betreft dit doorgaans slechts de rechtsverhouding tussen huurder en verhuurder, en is er geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er was geen aanleiding voor een voorlopige voorziening of proceskostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 15 mei 2001.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het bezwaar blijft niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belanghebbende.

Uitspraak

Raad
van State
200101373/1 en 200101373/2.
Datum uitspraak: 15 mei 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 27 februari 2001 in het geding tussen:
appellant
en
het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-West van de gemeente Amsterdam.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 september 2000 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-West van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) aan [vergunninghouder] krachtens artikel 30 van Pro de Huisvestingswet vergunning verleend tot samenvoeging van de woningen [adres] huis en [adres] eerste verdieping, te Amsterdam.
Bij besluit van 19 december 2000 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften van 13 november 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 27 februari 2001, verzonden op diezelfde dag, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de president) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 maart 2001, bij de Raad van State ingekomen op 21 maart 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 20 april 2001, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2001, heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2001, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Gerritsen, advocaat te Amsterdam, is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich niet ter zitting doen vertegenwoordigen.
2. Procesverloop
2.1. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan uitsluitend een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder een belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
2.2. De president heeft op goede gronden en met juistheid overwogen dat het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Door het besluit tot verlening van een samenvoegingsvergunning kunnen de belangen van een huurder/bewoner weliswaar worden geraakt, doch dit besluit brengt in de regel voor hem slechts mogelijke gevolgen met zich via de rechtsverhouding tussen hem en de verhuurder/eigenaar. Niet is gebleken van zodanig uitzonderlijke feiten of omstandigheden, dat in dit geval op die regel een uitzondering moet worden gemaakt. Appellant is dan ook niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb aan te merken.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor het treffen van een voorziening, als door appellant verzocht, geen aanleiding.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.H.C.A. Muller, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Wagtendonk w.g. Muller
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2001
242. Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,