Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2001:AC0177

Raad van State

Datum uitspraak
29 januari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
199902633/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • J.H.B. van der Meer
  • C. de Gooijer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 38 WfvArt. 39 Wfv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond verklaard wegens ontbreken rechtstreeks belang bij subsidieverlening provinciale entadministraties

Twee apotheekmaatschappen uit Groningen en Friesland hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het College voor zorgverzekeringen (rechtsopvolger van de Ziekenfondsraad) dat hun bezwaar tegen subsidieverlening aan provinciale entadministraties niet-ontvankelijk werd verklaard. De subsidie betrof het nationaal programma pre- en postnatale preventie 1998, waarbij provinciale entadministraties subsidie ontvingen voor het inkopen en leveren van bepaalde geneesmiddelen.

Appellanten stelden dat zij als apotheekhoudenden rechtstreeks worden geschaad doordat de provinciale entadministraties de geneesmiddelen inkopen en leveren, en dat zij daarom belanghebbenden zijn bij het besluit. De Raad oordeelde dat appellanten slechts een afgeleid belang hebben en niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kunnen worden aangemerkt.

De Raad concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees het af. Er werden geen proceskosten toegewezen. Hiermee bevestigde de Raad dat het belang van apotheekmaatschappen niet rechtstreeks wordt geraakt door de subsidie aan provinciale entadministraties, waardoor zij niet ontvankelijk zijn in hun bezwaar.

Uitkomst: Het beroep van de apotheekmaatschappen is ongegrond verklaard omdat zij geen rechtstreeks belanghebbenden zijn bij de subsidie aan provinciale entadministraties.

Uitspraak

Raad
van State
199902633/1.
Datum uitspraak: 29 januari 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. de maatschap "Apotheek [1]", waarvan de maten zijn [maat 1a] en [maat 1b], gevestigd te [vestigingsplaats 1], en
2. de maatschap "Apotheek [2]" waarvan de meten zijn [maat 2a] en [maat 2b], gevestigd te [vestigingsplaats 2], appellanten,
en
het College voor zorgverzekeringen, voorheen de Ziekenfondsraad,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 24 juli 1998 heeft de Ziekenfondsraad aan de Provinciale Groninger Stichting Het Groene Kruis onderscheidenlijk de Stichting Provinciale Entadministratie Friesland subsidie verleend op grond van de Regeling subsidiëring nationaal programma pre- en postnatale preventie 1998.
Bij besluit van 3 september 1999 - voorzover hier van belang - heeft verweerder het hiertegen door appellanten gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 8 oktober 1999, bij de Raad van State per telefax ingekomen op die dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 november 1999. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 14 december 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2000, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. drs. [maat 2b], advocaat te [vestigingsplaats], en [maat 1b], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. K.H. Sanders en mr. G.L.N. Romijn-Liem, gemachtigden, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
2.1.2. Ingevolge artikel 38 van Pro de Wet financiering volksverzekeringen (hierna: de Wfv) - zoals deze wet luidde ten tijde van het nemen van de besluiten van 24 juli 1998 - beheert en administreert de Ziekenfondsraad afzonderlijk een Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten.
Ingevolge artikel 39, derde lid, aanhef en onder h, van de Wfv - zoals deze wet destijds luidde -worden uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten betaald de uitgaven voor andere door de Ziekenfondsraad aan te geven doeleinden, verband houdende met de algemene verzekering bijzondere ziektekosten of met de volksgezondheid in het algemeen.
Ingevolge artikel 39, vierde lid, van de Wfv - zoals deze wet destijds luidde en voorzover hier van belang - behoeven uitgaven ingevolge het derde lid, onderdeel h, de goedkeuring van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, thans Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
2.1.3. Bij besluit van 23 april 1998 heeft de Ziekenfondsraad, ter nadere invulling van de hem op grond van artikel 39, derde lid, onder h, van de Wfv toekomende bevoegdheid, de - als beleidsregel aan te merken - Regeling subsidiëring nationaal programma pre- en postnatale preventie 1998 (hierna: de Regeling) vastgesteld.
Volgens artikel 2, eerste lid, van de Regeling stelt de Ziekenfondsraad ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten gelden beschikbaar voor het verstrekken van subsidie voor het nationaal programma pre- en postnatale preventie in de periode 1 juli 1998 tot en met 31 december 1998 bij verzekerden ingevolge de Algemene wet bijzondere ziektekosten. Volgens het tweede lid van dit artikel kan aan de provinciale entadministraties op aanvraag subsidie worden verleend voor de uitvoering van het nationaal programma pre- en postnatale preventie in hun gebied bij de in het vorige lid bedoelde verzekerden.
Volgens artikel 3, eerste lid aanhef en onder f en g, van de Regeling worden de volgende lasten bij het verstrekken van subsidie in aanmerking genomen: f. kosten van anti-Rhesus-D immunoglobuline voor Rhesus-D-negatieve vrouwen in de dertigste week van de zwangerschap en op grond van het navelstrengbloedonderzoek na de bevalling; g. kosten van Hepatitis B-vaccins bij pasgeborenen van vrouwen bij wie het bloedonderzoek in de twaalfde week de aanwezigheid van Hepatitis B heeft aangetoond.
Volgens artikel 7 van Pro de Regeling beslist de Ziekenfondsraad over het verlenen van subsidie aan de aanvrager na ontvangst van de subsidie-aanvraag.
Volgens artikel 11 van Pro de Regeling draagt de subsidie-ontvanger zorg voor de betaling van de laboratoria, Centraal Laboratorium voor de Bloedtransfusiedienst, het Bijzonder Instituut voor Bloedgroepenonderzoek en de apotheekhoudenden voor de in artikel 3, eerste lid, onder c tot en met g, genoemde activiteiten in zijn gebied.
2.2. Bij de afzonderlijke primaire besluiten heeft de Ziekenfondsraad, zijnde de rechtsvoorganger van verweerder, aan de Provinciale Groninger Stichting Het Groene Kruis voor de provincie Groningen onderscheidenlijk de Stichting Provinciale Entadministratie Friesland voor de provincie Friesland subsidie verleend op grond van de Regeling subsidiëring nationaal programma pre- en postnatale preventie 1998.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door appellanten gemaakte bezwaar, voorzover dat op de besluiten van 24 juli 1998 betrekking heeft, niet-ontvankelijk verklaard, aangezien zij volgens hem geen belanghebbenden zijn als bedoeld in artikel 1:2 van Pro de Awb.
2.3. Appellanten hebben aangevoerd dat verweerder hen ten onrechte niet als belanghebbenden bij de primaire besluiten heeft aangemerkt, aangezien hun belangen rechtstreeks worden geschaad door het door de provinciale entadministraties inkopen van de in artikel 3 van Pro de Regeling bedoelde geneesmiddelen en het vervolgens door- en afleveren van de ingekochte geneesmiddelen na deze op voorraad te hebben gehouden.
2.3.1. Dit betoog faalt. Zo al staande zou kunnen worden gehouden dat uit de Regeling voortvloeit dat de beide provinciale entadministraties ten koste van appellanten worden belast met het inkopen en leveren van de desbetreffende geneesmiddelen. bestaat geen grond voor het oordeel dat appellanten een rechtstreeks, en niet slechts een afgeleid belang hebben bij het aan deze administraties op grond van de artikelen 2, 3 en 7 van de Regeling verlenen van een subsidie.
2.3.2. Verweerder heeft appellanten terecht niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van Pro de Awb aangemerkt.
2.4. Het beroep is dan ook ongegrond.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. C. de Gooijer, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Schuurman
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2001
66-282.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,