Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2001:AD0548

Raad van State

Datum uitspraak
23 juli 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200002956/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • R. Cleton
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 39 Wet op de Raad van StateArt. 37 Wet op de Raad van StateAfdeling 8.2.6 AwbTitel 8.4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming van hoger beroep tegen afwijzing verzoek herziening

Appellant verzocht de rechtbank om herziening van een eerdere uitspraak op grond van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank wees dit verzoek af. Tegen deze afwijzing stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde de zaak en oordeelde dat het hoger beroep tegen een uitspraak op een verzoek om herziening niet openstaat, tenzij er sprake is van evidente schending van fundamentele rechtsbeginselen.

In deze zaak was geen sprake van een dergelijke schending. De Afdeling concludeerde daarom dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt de beperkte rechtsbescherming tegen beslissingen op verzoeken tot herziening binnen het bestuursrecht.

De procedure omvatte een eerdere uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van appellant tegen een besluit van burgemeester en wethouders gegrond verklaarde, gevolgd door een afwijzing van het herzieningsverzoek. Het hoger beroep bij de Raad van State werd uiteindelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens onbevoegdheid.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot herziening.

Uitspraak

Raad
van State
200002956/1.
Datum uitspraak: 18 juli 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Almelo van 8 mei 2000 op het verzoek van:
appellant
om herziening van de uitspraak van de rechtbank van 20 november 1997, in zaak nummers 97/962 WW44 WI A en 97/1056 WW 44 WI A.
1. Procesverloop
Bij uitspraak van de arrondissementsrechtbank Almelo van 8 mei 2000, registratienummer 99/937 WW V1 A, is afgewezen het verzoek van appellant om herziening als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van de uitspraak van de rechtbank van 20 november 1997, registratienummers 97/962 WW44 W1 A en 97/1056 WW44 W1 A, waarbij de rechtbank, voor zover hier van belang, het door appellant ingestelde beroep tegen de door burgemeester en wethouders genomen beslissing op bezwaar van 1 juli 1997 gegrond heeft verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar heeft vernietigd en heeft bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van die uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen.
Tegen de uitspraak van 8 mei 2000 heeft appellant bij brief van 16 juni 2000, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op 17 juni 2000, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 juli 2000.
Bij brief van 25 januari 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2001, waar appellant in persoon en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. W.D. Piek, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
Ingevolge het bepaalde in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de rechtbank op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
In artikel 39, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, is bepaald dat hoofdstuk 8 van de Awb van overeenkomstige toepassing is op het hoger beroep.
In artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, is bepaald dat een belanghebbende beroep kan instellen bij de Afdeling tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Awb.
De herziening is geregeld in titel 8.4 van de Awb. Gelet hierop kan de uitspraak op een verzoek om herziening niet aangemerkt worden als een uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Awb. In aanmerking genomen dat de uitspraak van de rechtbank van 8 mei 2000 strekt tot afwijzing van het verzoek om herziening, behelst zij ook overigens geen uitspraak in de zin van afdeling 8.2.6 van de Awb. Dit betekent dat tegen de uitspraak van de rechtbank geen hoger beroep openstaat. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt indien sprake is van evidente schending van beginselen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen. Daarvan is evenwel niet gebleken. Concluderend is de Afdeling dan ook van oordeel dat zij onbevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep van appellant.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart zich onbevoegd.
Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer,
in tegenwoordigheid van mr. drs. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.
w.g. Cleton w.g. Stolker
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2001
27-369.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,