ECLI:NL:RVS:2001:AD2823
Raad van State
- Hoger beroep
- P. van Dijk
- C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verlof voorhanden hebben wapens en munitie categorie III
Appellant had een verlof voor het voorhanden hebben van vuurwapens van categorie III, dat op 18 december 1997 was verleend en geldig was tot 1 januari 1999. Dit verlof werd op 12 maart 1998 door de korpschef van de regiopolitie Utrecht ingetrokken nadat tijdens een controle op 10 februari 1998 werd geconstateerd dat appellant 20 losse flodders (blanks) in kaliber 7,62 x 51 mm bezat, waarvoor hij niet gerechtigd was.
De Minister van Justitie verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond, en ook de rechtbank Utrecht oordeelde op 13 november 2000 hetzelfde. Appellant stelde dat deze patronen niet als munitie in de zin van de Wet wapens en munitie (Wwm) konden worden aangemerkt en dat de intrekking van het verlof een onevenredig zware maatregel was. Hij overlegde een deskundigenrapport waarin werd gesteld dat de patronen niet geschikt waren om een projectiel af te vuren.
De Raad van State oordeelde dat de Minister terecht grote waarde hechtte aan het advies van de Werkgroep Advies Wet wapens en munitie, die stelt dat dergelijke patronen als munitie kunnen worden beschouwd omdat zij krachtig genoeg zijn om een projectiel af te schieten, ook al zijn ze daar niet altijd voor bestemd. Het rapport van appellant was onvoldoende om dit oordeel te weerleggen. Bovendien woog het belang van de veiligheid van de samenleving zwaarder dan het individuele belang van appellant. De intrekking was bovendien van beperkte duur, zodat geen sprake was van onevenredig nadeel.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van het verlof voor het voorhanden hebben van wapens en munitie categorie III.