AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrijstellingsbepaling in bestemmingsplan strijdig met artikel 15 WRO
In deze zaak ging het om de verlening van een bouwvergunning en een binnenplanse vrijstelling voor de aanleg van een aanlegsteiger met ligplaatsen voor pleziervaartuigen in Roermond. Burgemeester en wethouders hadden op grond van artikel 20, vierde lid, van de planvoorschriften een vrijstelling verleend die voorschreef dat bij voldoende parkeergelegenheid op openbaar terrein vrijstelling van de eis tot aanleg van parkeerplaatsen op eigen terrein kon worden gegeven.
Appellante stelde dat deze vrijstellingsbepaling imperatief was geformuleerd en daarmee in strijd met artikel 15 vanPro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De rechtbank had dit niet zo beoordeeld en verklaarde het beroep ongegrond. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde echter dat de vrijstellingsbepaling burgemeester en wethouders verplicht om vrijstelling te verlenen zodra aan de gestelde voorwaarden is voldaan, zonder ruimte voor een belangenafweging.
De Raad van State verwees naar een eerdere uitspraak waarin werd vastgesteld dat een dergelijke verplichting niet is toegestaan, behalve in de specifieke uitzondering van de zogenaamde toverformule. Gelet hierop vernietigde de Afdeling het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde burgemeester en wethouders tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders en de uitspraak van de rechtbank wegens strijd met artikel 15 WRO.
Uitspraak
Raad
van State
200003779/1.
Datum uitspraak: 5 september 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de besloten vennootschap A B.V., gevestigd te B,
appellante,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 27 juni 2000 in het geding tussen:
appellante
en
burgemeester en wethouders van Roermond.
1. Procesverloop
Bij besluit van 12 februari 1999 hebben burgemeester en wethouders van Roermond (hierna: burgemeester en wethouders) aan Helenawerf-Moset B.V. (hierna: Helenawerf) bouwvergunning en vrijstelling verleend voor de bouw van een aanlegsteiger met 60 ligplaatsen voor pleziervaartuigen en 3 ligplaatsen voor reparatiewerkzaamheden op het adres Maasboulevard 101, kadastraal bekend gemeente Roermond, sectie C, nummer 5465.
Bij besluit van 7 september 1999, verzonden op 9 september 1999, hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd, met dien verstande dat zij daaraan alsnog een nadere voorwaarde hebben verbonden. Dit besluit en het advies van de Commissie voor bezwaar- en beroepschriften van 30 juli 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 27 juni 2000, verzonden op 28 juni 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 9 augustus 2000, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op die dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 oktober 2000. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 20 maart 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 augustus 2001, waar appellante, vertegenwoordigd door A-C, procuratiehoudster, bijgestaan door mr. drs. M.L.M. Frantzen, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door J.J.M. Broods, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is mr. O.W. Wagenaar, namens Helenawerf-Moset B.V., ter zitting verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Maasoever" zijn de gronden waarop de aanlegsteiger is voorzien bestemd voor "Watersportdoeleinden c.a.".
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften zijn deze gronden onder meer bestemd voor bedrijfsuitoefening in de watersportsector.
Op grond van artikel 20, eerste lid aanhef en onder g, van de planvoorschriften geldt voor bedrijven en verenigingen in de watersportsector een norm van 0,6 parkeerplaats per pleziervaartuig c.q. ligplaats.
Ingevolge het derde lid van dit artikel dienen de aan te leggen parkeerplaatsen op eigen terrein te worden gerealiseerd.
Ingevolge het vierde artikellid verlenen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bepaalde in lid 3 indien op openbaar terrein of anderszins in voldoende parkeergelegenheid is of wordt voorzien.
2.2. Burgemeester en wethouders hebben bij de verlening van de bouwvergunning gebruik gemaakt van de in artikel 20, vierde lid, van de planvoorschriften neergelegde vrijstellingsbevoegdheid.
2.3. Het betoog van appellante dat de rechtbank voormelde vrijstellingsbepaling ten onrechte niet onverbindend heeft geacht wegens strijd met artikel 15 vanPro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) treft doel. In haar - ook door appellante genoemde - uitspraak van 17 november 1997, inzake no. E01.96.0238, gepubliceerd in Milieu en Recht 1998, nr. 42, heeft de Afdeling overwogen dat een vrijstellingsbepaling niet zo ver kan strekken dat onder bepaalde voorwaarden burgemeester en wethouders verplicht zijn vrijstelling te verlenen. De in de aangevallen uitspraak geciteerde uitzondering die blijkens die uitspraak noodzakelijkerwijs moet worden gemaakt voor de zogeheten toverformule is uitsluitend gegeven om te voorkomen dat niet meer wordt voldaan aan artikel 10, eerste lid, tweede volzin, van de WRO. Voor een andere uitzondering is geen plaats.
De vrijstellingsbepaling in artikel 20, vierde lid, van de planvoorschriften is imperatief geformuleerd, zodat burgemeester en wethouders verplicht zijn vrijstelling te verlenen indien aan de in de regeling gestelde voorwaarde dat op openbaar terrein of anderszins in voldoende parkeergelegenheid is of wordt voorzien, wordt voldaan. De rechtbank kan niet worden gevolgd in haar oordeel dat gezien de redactie en met name de strekking van de voorliggende vrijstellingsbepaling een belangenafweging of toepassing van het bepaalde in artikel 3:4 vanPro de Algemene wet bestuursrecht op zich niet zonder meer is uitgesloten. Weliswaar laat de vrijstellingsbepaling burgemeester en wethouders enige beoordelingsruimte of aan de gestelde voorwaarden is voldaan, doch van een mogelijkheid tot belangenafweging ter zake van het verlenen van de vrijstelling is geen sprake.
Gelet op het vorenstaande is artikel 20, vierde lid, van de planvoorschriften in strijd met artikel 15 vanPro de WRO. Burgemeester en wethouders konden derhalve geen toepassing geven aan deze bepaling.
2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak en de beslissing op bezwaar van 7 september 1999, verzonden op 9 september 1999, waarbij de op 12 februari 1999 verleende bouwvergunning en vrijstelling - onder toevoeging van een voorwaarde aan de vrijstelling - zijn gehandhaafd, dienen te worden vernietigd.
2.5. Burgemeester en wethouders dienen op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 27 juni 2000, 99/964 BSTPL K1;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het bestreden besluit van burgemeester en wethouders van 7 september 1999, verzonden op 9 september 1999, referentie 1999/10127;
V. veroordeelt burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van ƒ 3.021,00, waarvan een gedeelte groot ƒ 2.840,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Roermond te worden betaald aan appellante;
VI. gelast dat de gemeente Roermond aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht (ƒ 450,-- onderscheidenlijk ƒ 675,--) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll , Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.