ECLI:NL:RVS:2001:AD4493

Raad van State

Datum uitspraak
24 augustus 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200103554/1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • B. van Wagtendonk
  • E.A. Alkema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 84 Vw 2000Art. 96 Vw 2000Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring

Appellant is op 10 mei 2001 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen het besluit tot voortduren van deze bewaring maakte appellant beroep bij de rechtbank te 's-Gravenhage, die dit beroep op 16 juli 2001 ongegrond verklaarde. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State overwoog dat het beroep van appellant een beroep is in de zin van artikel 96, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, en dat tegen de uitspraak van de rechtbank geen hoger beroep openstaat op grond van artikel 84 van Pro die wet. Een uitzondering kan bestaan indien fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden.

Appellant stelde dat de termijn van één week voor het vooronderzoek, bedoeld in artikel 96, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, een fataal karakter heeft en dat de overschrijding met één dag tot niet-rechtmatigheid leidt. De Raad van State oordeelde dat deze overschrijding te kort is om van een schending te spreken en dat uit de wetsgeschiedenis niet blijkt dat een enkele overschrijding de voortduring van de bewaring onrechtmatig maakt.

Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep wegens te korte termijnoverschrijding die geen fundamentele schending oplevert.

Uitspraak

Raad
van State
200103554/1.
Datum uitspraak: 24 augustus 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 16 juli 2001 in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 mei 2001 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 16 juli 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), het met een kennisgeving vanwege de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de Staatssecretaris) aanhangig gemaakte beroep van 20 juni 2001 tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 17 juli 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 24 juli 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Het met een kennisgeving vanwege de Staatssecretaris aanhangig gemaakte beroep van 20 juni 2001 is een beroep in de zin van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000. De uitspraak van de rechtbank van 16 juli 2001 is gedaan op dit beroep en is derhalve een uitspraak, als bedoeld in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000. Tegen deze uitspraak staat ingevolge artikel 84, aanhef en onder a, van die wet geen hoger beroep open bij de Afdeling.
2.2. Appellant betoogt dat de Afdeling niettemin van het hoger beroep kennis kan nemen, aangezien sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de termijn van één week voor het vooronderzoek, bedoeld in artikel 96, tweede lid, van de Vw 2000, geen fataal karakter heeft. Dit is volgens hem wel het geval, omdat de termijn van zeven dagen na de sluiting van het onderzoek, waarbinnen ingevolge artikel 96, derde lid, van de
Vw 2000 schriftelijk uitspraak wordt gedaan, niet kan worden verlengd.
2.3. Voor kennisneming van een appèl in weerwil van voormeld artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan grond bestaan, indien sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen, die een eerlijk en onafhankelijk proces waarborgen. Nu de kennisgeving op 20 juni 2001 was ontvangen, liep de termijn voor het vooronderzoek, gesteld bij het tweede lid van artikel 96, op 27 juni 2001 af. De rechtbank heeft het vooronderzoek op 28 juni 2001 gesloten, zodat de termijn met één dag is overschreden. Deze overschrijding levert geen zodanige schending op, reeds omdat zij daarvoor te kort is. Overigens kan uit de bewoordingen van artikel 96, tweede lid, van de Vw 2000, noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van de daarin neergelegde bepaling worden afgeleid dat is beoogd dat enkele overschrijding van die termijn tot gevolg heeft dat de voortduring van de bewaring niet langer rechtmatig is.
2.4. De Afdeling is kennelijk onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart zich onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. E.A. Alkema, Leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Glerum
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2001
273-382.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,