ECLI:NL:RVS:2001:AD4493
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- E.A. Alkema
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring
Appellant is op 10 mei 2001 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen het besluit tot voortduren van deze bewaring maakte appellant beroep bij de rechtbank te 's-Gravenhage, die dit beroep op 16 juli 2001 ongegrond verklaarde. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat het beroep van appellant een beroep is in de zin van artikel 96, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, en dat tegen de uitspraak van de rechtbank geen hoger beroep openstaat op grond van artikel 84 van Pro die wet. Een uitzondering kan bestaan indien fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden.
Appellant stelde dat de termijn van één week voor het vooronderzoek, bedoeld in artikel 96, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, een fataal karakter heeft en dat de overschrijding met één dag tot niet-rechtmatigheid leidt. De Raad van State oordeelde dat deze overschrijding te kort is om van een schending te spreken en dat uit de wetsgeschiedenis niet blijkt dat een enkele overschrijding de voortduring van de bewaring onrechtmatig maakt.
Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep wegens te korte termijnoverschrijding die geen fundamentele schending oplevert.