ECLI:NL:RVS:2001:AD4619
Raad van State
- Hoger beroep
- M. Vlasblom
- H. Troostwijk
- J.A.W. Scholten-Hinlopen
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring hoger beroep tegen weigering vluchtelingenstatus en verblijfsvergunning
Appellant had een aanvraag ingediend voor toelating als vluchteling en een vergunning tot verblijf, welke door de Staatssecretaris van Justitie werden geweigerd wegens kennelijke ongegrondheid. Hiertegen werd bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Appellant voerde aan dat artikel 33e van de Vreemdelingenwet niet in de weg staat aan de bevoegdheid van de Afdeling om van het hoger beroep kennis te nemen, mede omdat hem geen termijn was gegund om de gronden van het beroep aan te vullen zoals bedoeld in artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Afdeling oordeelde echter dat artikel 33e Vreemdelingenwet de bevoegdheid van de Afdeling uitsluit om hoger beroep te behandelen tegen beslissingen van de rechtbank in vreemdelingenzaken.
De Afdeling overwoog dat kennisneming van het hoger beroep ondanks artikel 33e alleen mogelijk is bij evidente schending van fundamentele rechtsbeginselen of goede procesorde, hetgeen in deze zaak niet is vastgesteld. Ook is geen schending van artikel 6:6 Awb Pro vastgesteld omdat de rechtbank het beroep heeft ontvangen en appellant voldoende gelegenheid had om zijn gronden aan te vullen. De Afdeling verklaarde zich daarom onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep.