ECLI:NL:RVS:2001:AD4912
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- E.A. Alkema
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gegrondheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel op grond van Vreemdelingenwet 2000
De zaak betreft het hoger beroep van de Staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, die de afwijzing van asielaanvragen van een moeder en haar zoon vernietigde. De rechtbank had geoordeeld dat de Staatssecretaris onvoldoende onderzoek had verricht naar de gronden voor verlening van een verblijfsvergunning op humanitaire gronden en wegens mogelijke gewetensbezwaren tegen militaire dienst.
De Raad van State overweegt dat het grievenstelsel vereist dat grieven concreet en gemotiveerd zijn en dat het hoger beroep niet kan worden gebruikt om het geschil in volle omvang aan de Afdeling voor te leggen. De Raad stelt vast dat de Staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de zoon geen aannemelijke gronden heeft gegeven voor een gegronde vrees voor vervolging wegens militaire dienstplicht, mede omdat hij geen ernstige bezwaren tegen militaire dienst heeft gesteld en geen vervangende dienstplicht heeft onderzocht.
Voorts oordeelt de Raad dat de Staatssecretaris terecht heeft aangenomen dat er geen causaal verband is tussen de traumatische gebeurtenissen in 1992-1993 en het vertrek uit Bosnië in 2001, en dat recentere gebeurtenissen zoals oproepingen voor militaire dienst en gezondheidsproblemen de vertrekredenen zijn. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat nader onderzoek nodig was. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep alsnog ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de besluiten tot afwijzing van de asielaanvragen wordt ongegrond verklaard.