ECLI:NL:RVS:2001:AD5956
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- H. Troostwijk
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van vreemdelingenbewaring na ontslag strafrechtelijke detentie ondanks uitstel voorafgaand gehoor
Appellant werd aansluitend aan zijn ontslag uit strafrechtelijke detentie op 2 augustus 2001 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze bewaring ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
Appellant voerde aan dat het voorafgaand gehoor niet mocht worden overgeslagen, behalve onder bijzondere omstandigheden. De Raad van State oordeelde dat in dit geval, vanwege het ontbreken van een bevoegde ambtenaar op het moment van ontslag, het gehoor niet kon worden afgewacht. Het gehoor vond zo spoedig mogelijk na de inbewaringstelling plaats, wat conform de Vreemdelingenbesluit 2000 en de Vreemdelingencirculaire 2000 is.
Daarnaast stelde appellant dat de Staatssecretaris onvoldoende voortvarend was in de voorbereiding van zijn uitzetting. De Raad van State stelde vast dat vanwege het lopende hoger beroep in het strafproces de datum van ontslag onzeker was, waardoor geen verwijt kon worden gemaakt aan de Staatssecretaris.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring en verklaart het hoger beroep ongegrond.