ECLI:NL:RVS:2001:AD7953
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A.E. van der Does
- J.M. Boll
- C.A. Terwee-van Hilten
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en intrekking vergunning op grond van artikel 53 Jachtwet door Minister
In deze zaak gaat het om de ambtshalve intrekking door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van een vergunning verleend op grond van artikel 53 van Pro de Jachtwet. De vergunning was verleend aan appellante sub 2 voor het bejagen van konijnen en hazen ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen. De Minister trok de vergunning in omdat de beoordeling van de kans op schade niet door hemzelf, maar door appellante sub 2 was overgelaten, wat volgens de Raad van State niet is toegestaan.
De rechtbank had eerder het beroep van appellante sub 2 ongegrond verklaard en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat artikel 53 Jachtwet Pro vereist dat de Minister zelf de beoordeling van de dreiging van schade verricht en dat delegatie aan derden niet is toegestaan. De vergunning die in strijd met deze bepaling was verleend, mocht daarom binnen vier weken worden ingetrokken.
De Raad van State oordeelt dat de belangen van appellante sub 2 niet zodanig zijn dat de intrekking onrechtmatig zou zijn, ook niet met het oog op rechtszekerheid. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van de vergunning omdat de Minister zelf de beoordeling van de kans op schade moet doen en delegatie niet is toegestaan.