ECLI:NL:RVS:2001:AD8688

Raad van State

Datum uitspraak
16 oktober 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200104321/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B. van Wagtendonk
  • M. Vlasblom
  • H. Troostwijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 28 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel wegens ontbreken nieuwe feiten

De Staatssecretaris van Justitie wees op 3 augustus 2001 de aanvragen van twee vreemdelingen om terug te komen van de weigering van een verblijfsvergunning asiel af. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank, die op 22 augustus 2001 de besluiten vernietigde en de Staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.

De Staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Raad van State. Kern van het geschil was de toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Volgens de Staatssecretaris konden de overgelegde documenten bij de herhaalde aanvraag niet als nieuwe feiten of omstandigheden worden aangemerkt.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte voorbijging aan het toetsingskader van artikel 4:6 Awb Pro. De ingediende documenten waren niet gedateerd en konden daardoor niet als nieuwe feiten worden beschouwd die bij de oorspronkelijke aanvraag hadden kunnen worden overgelegd. Hierdoor was het beroep van de vreemdelingen ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het hoger beroep van de Staatssecretaris gegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
200104321/1.
Datum uitspraak: 16 oktober 2001
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Staatssecretaris van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 22 augustus 2001 in het geding tussen:
de vreemdelingen, zich noemende [verzoeker 1] en [verzoeker 2],
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluiten van 3 augustus 2001 heeft appellant aanvragen van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] (hierna: de vreemdelingen) om terug te komen van de weigering hun een verblijfsvergunning asiel te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 22 augustus 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op de aanvragen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 29 augustus 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 5 september 2001 hebben de vreemdelingen een reactie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2001, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Venekamp, ambtenaar ten departemente, en de vreemdelingen in persoon, bijgestaan door
mr. R.E. Temmen, advocaat te Bergen op Zoom, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.
Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt een aanvraag om een vergunning, als bedoeld in artikel 28 van Pro die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die een rechtsgrond voor verlening vormen.
2.2. Appellant heeft betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat ingevolge artikel 4:6 van Pro de Awb slechts gestelde nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan afwijzing van de aanvragen in de weg konden staan. De door de vreemdelingen bij de herhaalde aanvragen overgelegde documenten kunnen volgens appellant niet als zodanig worden aangemerkt.
2.3. Deze grief treft doel. Het toetsingskader in deze zaak wordt bepaald door voormeld artikel 4:6 van Pro de Awb, mede bezien in verband met het bepaalde in voormeld artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Indien een bestuursorgaan na indiening van een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit tot het oordeel komt dat daartoe geen termen zijn, kan niet door het instellen van beroep tegen dat besluit worden bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het gericht tegen het eerdere besluit. Het door de vreemdelingen ingestelde beroep kon dan ook slechts leiden tot de beoordeling of zich na het eerdere in rechte onaantastbare besluit waarbij hen toelating is geweigerd, geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die tot heroverweging aanleiding hadden behoren te geven.
2.4. De Staatssecretaris van Justitie kan bij de beoordeling van een herhaalde aanvraag toepassing geven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, indien die aanvraag is gebaseerd op nieuwe documenten, waarmee wordt beoogd de aan de oorspronkelijke aanvraag ten grondslag gelegde stellingen alsnog aannemelijk te maken en die documenten bij de oorspronkelijke aanvraag hadden kunnen en derhalve ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 hadden behoren te worden overgelegd.
2.5. Nu de door de vreemdelingen bij de tweede aanvraag in faxafschrift overgelegde verklaringen van de wijkburgemeester Ghasan Malkou en van de bisschop Ostathios Matti Roham van Al-Jaziera en Al-Furat niet zijn gedateerd, kan niet worden vastgesteld of deze bij de oorspronkelijke aanvragen hadden kunnen en behoren te worden overgelegd. Aangezien het ingevolge artikel 4:6 van Pro de Awb, mede bezien in verband met artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, aan de asielzoeker is om aannemelijk te maken dat dit laatste niet het geval is, heeft appellant niet ten onrechte het standpunt ingenomen dat deze verklaringen niet dienen te worden aangemerkt als nieuwe feiten en omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. Dat geldt evenzeer voor de door de vreemdelingen overgelegde overige documenten.
2.6. Het hoger beroep is reeds hierom gegrond, zodat de overige door appellant aangevoerde grieven geen bespreking behoeven. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdelingen tegen de besluiten van appellant van 3 augustus 2001 alsnog ongegrond verklaren.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 22 augustus 2001, Awb 01/36598;
III. verklaart het door de vreemdelingen bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en
mr. M. Vlasblom en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L. Frenkel, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Wagtendonk w.g. Frenkel
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2001
Verzonden: 16 OKTOBER 2001
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,