ECLI:NL:RVS:2001:AD9773
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over vreemdelingenbewaring en uitzetting zonder expliciet bezwaar OM
Appellant werd in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze bewaring ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het openbaar ministerie niet bevoegd was om stilzwijgend geen bezwaar te maken tegen uitzetting, waardoor de bewaring onrechtmatig zou zijn.
De Raad van State oordeelde dat de praktijk zoals neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000 correct is: het openbaar ministerie hoeft niet expliciet te verklaren dat er geen bezwaar is tegen uitzetting om de bewaring rechtmatig te maken. Dit is niet in strijd met enige rechtsregel.
Verder verwierp de Raad van State andere grieven van appellant als herhalingen van eerdere standpunten die reeds door de rechtbank waren beoordeeld. Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 28 december 2001 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep kennelijk ongegrond.