Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2001:AE0242

Raad van State

Datum uitspraak
31 oktober 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200001341/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.A.E. van der Does
  • J.M. Boll
  • B. van Wagtendonk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 GrondwetArt. 8:73 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging handhaving bestemmingsplan tegen gebruik pand voor evangelische diensten

Appellante, de stichting Beheer Evangeliegemeente "De Deur", gebruikte een pand aan de Conradweg 2 te Arnhem voor evangelische diensten, wat volgens het bestemmingsplan bestemd was voor handel en nijverheid. Burgemeester en wethouders legden een dwangsom op en eisten beëindiging van dit gebruik. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Raad van State.

De Raad van State overwoog dat het bestemmingsplan het gebruik van het pand voor evangelische diensten verbiedt en dat dit verbod niet in strijd is met het grondwettelijk recht op godsdienstvrijheid, omdat dit recht onderworpen is aan algemene regels ter bescherming van ruimtelijke ordening. Verder bleek dat elders in Arnhem wel locaties beschikbaar zijn voor dergelijke diensten en dat appellante geen recht heeft op een passend alternatief.

De Raad verwierp ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel, aangezien de genoemde vergelijkbare gevallen niet gelijkwaardig waren en geen sprake was van willekeur. De handhaving was redelijk en proportioneel, en er waren geen bijzondere omstandigheden die afzien van handhaving rechtvaardigden. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de handhaving van het bestemmingsplan bevestigd.

Uitspraak

Raad
van State
200001341/1.
Datum uitspraak: 31 oktober 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de stichting Beheer Evangeliegemeente "De Deur", zetelend te Arnhem,
appellante,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 1 februari 2000 in het geding tussen:
appellante
en
burgemeester en wethouders van Arnhem.
1. Procesverloop
Bij besluit van 9 juli 1996 hebben burgemeester en wethouders van Arnhem (hierna: burgemeester en wethouders) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen drie maanden het gebruik van het pand Conradweg 2 te Arnhem (hierna: het pand) als ruimte voor het houden van evangelische diensten te beëindigen.
Bij besluit van 19 november 1996, bekendgemaakt op 28 november 1996, hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard en de termijn waarbinnen aan de last moet zijn voldaan verlengd tot 1 april 1997. Dit besluit en het advies van de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften van 29 oktober 1996, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 1 februari 2000 heeft de arrondissementsrechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. [redactie: url('ZF1012',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail?ui_id=32168)]
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 10 maart 2000, bij de Raad van State ingekomen op 14 maart 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 21 juni 2000 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2001, waar appellante, vertegenwoordigd door haar voorzitter A.H. Kooijker, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door G. Weenink, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge het als bestemmingsplan geldende uitbreidingsplan in onderdelen "Industrieterrein" rust op het betrokken perceel de bestemming "Handel en nijverheid". Ingevolge artikel 12 van Pro de planvoorschriften is het verboden gronden en opstallen of delen daarvan te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het bestemmingsplan aan de grond gegeven bestemming. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het gebruik van het pand als ruimte voor het houden van evangelische diensten in strijd is met deze bepaling en dat burgemeester en wethouders derhalve bevoegd waren om handhavend op te treden. Dit is tussen partijen ook niet meer in geschil.
2.2. Met betrekking tot het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat de handhaving van het bestemmingsplan in strijd is met het in artikel 6 van Pro de Grondwet neergelegde recht van een ieder zijn godsdienst of levensovertuiging individueel of in gemeenschap met anderen vrij te belijden, wordt overwogen dat het in voormeld artikel 12 neergelegde Pro gebruiksverbod op zichzelf beschouwd met deze bepaling niet in strijd is. Artikel 6 van Pro de Grondwet brengt met zich dat degenen die het daarin neergelegde recht uitoefenen daarbij onderworpen zijn aan onder andere de bepalingen die in algemene zin zijn gesteld in het belang van de ruimtelijke ordening. Met de inhoud van de diensten van appellante houden het bestemmingsplan noch de planvoorschriften verband; zij dienen ter bescherming van de belangen van de ruimtelijke ordening. Voorts is genoegzaam gebleken dat de verschillende in Arnhem geldende bestemmingsplannen het houden van diensten op andere plaatsen in de gemeente wel toelaten. Appellante heeft nog betoogd dat, gelet op haar behoefte aan ruimten, de beschikbare panden haar draagkracht te boven gaan. Niet is echter gebleken dat de uitoefening van het grondrecht voor appellante daardoor geheel of nagenoeg geheel onmogelijk wordt gemaakt. Anders dan appellante meent vloeit uit artikel 6 van Pro de Grondwet niet voor burgemeester en wethouders de verplichting voort haar een passend alternatief te bieden.
2.3. Gelet op het vorenstaande, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van het in artikel 6 van Pro de Grondwet neergelegde recht.
2.4. Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen de illegale situatie.
2.5. Vast staat dat het bestemmingsplan geen relevante vrijstellingsbepalingen bevat en dat voor het betrokken perceel geen voorbereidingsbesluit gold. Verder is gebleken dat er geen voornemen bestond om het bestemmingsplan te herzien. Legalisering van het gewraakte gebruik lag derhalve niet in de rede. Met betrekking tot het door appellante gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt overwogen dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat burgemeester en wethouders voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de door appellante genoemde gevallen, waaronder dat van het winkelcentrum en het zwembad, niet zonder meer met dat van haar vergelijkbaar zijn. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel dan wel willekeur is dan ook niet gebleken. Het feit dat - naar appellante stelt - haar activiteiten niet leiden tot overlast voor de omgeving betekent evenmin dat sprake is van een bijzonder geval in de hiervoor bedoelde zin.
2.6. Gezien het vorenstaande en gelet op hetgeen appellante overigens naar voren heeft gebracht, is de rechtbank terecht tot de slotsom gekomen dat niet kan worden geoordeeld dat burgemeester en wethouders bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid de oplegging van de last hebben kunnen handhaven. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 19 november 1996 derhalve terecht ongegrond verklaard.
2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.8. Gelet hierop is toepassing van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet aan de orde.
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. J.M. Boll en mr. B. van Wagtendonk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.
w.g. Van der Does w.g. Boer
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2001
201.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,