ECLI:NL:RVS:2001:AE7127

Raad van State

Datum uitspraak
27 juni 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200102908/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.G.J. Parkins-de Vin
  • R.W. Mackenzie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting tijdens hoger beroep verblijfsvergunning

Verzoeker heeft bij de Staatssecretaris van Justitie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning, welke op 24 mei 2001 is afgewezen. Tegen deze afwijzing heeft verzoeker beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, maar dit beroep is op 7 juni 2001 ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft vervolgens bij de Raad van State hoger beroep ingesteld en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om zijn uitzetting te voorkomen gedurende de behandeling van het hoger beroep. De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft beoordeeld dat het niet op voorhand buiten twijfel ligt dat de aangevallen uitspraak in stand zal blijven en dat er sprake is van een spoedeisend belang.

Op grond daarvan is het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk gegrond toegewezen, waardoor verzoeker de beslissing op het hoger beroep in Nederland mag afwachten. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 27 juni 2001.

Uitkomst: Verzoeker mag zijn hoger beroep in Nederland afwachten en wordt niet uitgezet tijdens de procedure.

Uitspraak

Raad
van State
200102908/2.
Datum uitspraak: 27 juni 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van de Raad van State, met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 7 juni 2001 in het geding tussen:
verzoeker
en
de Staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 mei 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning te verlenen afgewezen.
Bij uitspraak van 7 juni 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief van 12 juni 2001, bij de Raad van State binnengekomen op 12 juni 2001, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 12 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2001, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2. Overwegingen
2.1. Met het verzoek beoogt verzoeker zijn uitzetting gedurende de behandeling van het hoger beroep te voorkomen.
2.2. Gelet op de stukken is niet op voorhand buiten twijfel dat de Afdeling de aangevallen uitspraak in stand zal laten. De Afdeling zal het hoger beroep op korte termijn ter zitting behandelen. Nu voorts is gebleken van een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, bestaat grond om de navolgende voorlopige voorziening te treffen.
2.3. Het verzoek dient als kennelijk gegrond te worden toegewezen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Rechtdoende in naam der Koningin:
treft de voorlopige voorziening dat verzoeker de beslissing op het door hem ingediende hoger beroep hier te lande mag afwachten.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.W. Mackenzie, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Mackenzie
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2001
44-358.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift
de Secretaris van de Raad van State
voor deze,