ECLI:NL:RVS:2001:AE7129
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel en afwijzing voorlopige voorziening
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de Staatssecretaris van Justitie op 22 april 2001 is afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing op 16 mei 2001 ongegrond. Hiertegen stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat nader onderzoek niet noodzakelijk was en dat de zaak direct kon worden behandeld. Appellant voerde aan dat de Staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom geen besluitmoratorium was ingesteld op grond van artikel 43 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, maar deze grief werd verworpen omdat er geen besluit tot toepassing of niet-toepassing van artikel 43 was Pro genomen.
Verder stelde het hoger beroep geen rechtsvragen aan de orde die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom werd het hoger beroep als kennelijk ongegrond verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Tevens werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.