ECLI:NL:RVS:2001:AF6047
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- M. Vlasblom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens Dublin-verantwoordelijkheid Duitsland
Appellante heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, die door de Staatssecretaris van Justitie is afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De kern van het geschil betreft de toepassing van artikel 8 van Pro de Overeenkomst van Dublin, waarin is bepaald dat het eerste land waar een asielverzoek is ingediend verantwoordelijk is voor de behandeling. Appellante had eerst in Duitsland een asielverzoek ingediend, waardoor Duitsland volgens de regeling verantwoordelijk is. De Raad van State oordeelt dat appellante door haar keuze voor illegale grensoverschrijding zelf de situatie heeft veroorzaakt dat Duitsland haar verzoek behandelt.
Daarnaast is betoogd dat Nederland op grond van artikel 3, vierde lid, van de Overeenkomst van Dublin een eigen verantwoordelijkheid heeft en dat Nederland geen vertrouwen mag stellen in de bescherming door Duitsland. Dit betoog is niet door de rechtbank behandeld omdat het niet in beroep was aangevoerd en wordt daarom niet in hoger beroep meegenomen.
De Raad van State concludeert dat het hoger beroep kennelijk ongegrond is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.