ECLI:NL:RVS:2001:AF6181

Raad van State

Datum uitspraak
11 mei 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200102074/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 91 Vreemdelingenwet 2000Art. 92 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:5 Algemene wet bestuursrechtArt. 6:6 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na hoger beroep

Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de Staatssecretaris van Justitie werd afgewezen met toepassing van de 48-uurs procedure. Tegen deze afwijzing stelde appellante beroep in bij de president van de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage, die het beroep ongegrond verklaarde.

Appellante stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak deed uitspraak zonder zitting, waarbij werd overwogen dat nader onderzoek niet noodzakelijk was en dat onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak passend was.

De Voorzitter oordeelde dat het hoger beroep geen rechtsvragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming en dat het hoger beroepschrift niet tot vernietiging van de eerdere uitspraak kon leiden. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard, de eerdere uitspraak bevestigd en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel bevestigd.

Uitspraak

Raad
van State
200102074/2.
Datum uitspraak: 11 mei 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, gelezen in samenhang met artikel 92 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, op het hoger beroep van:
[vreemdelinge],
appellante,
tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 27 april 2001 in het geding tussen:
appellante
en
de Staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 15 april 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie een aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen met toepassing van de 48-uurs procedure afgewezen.
Bij uitspraak van 27 april 2001, verzonden op 27 april 2001, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de president) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brieven van 27 april 2001, bij de Raad van State binnengekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld, onderscheidenlijk de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze brieven zijn aangehecht.
2. Overwegingen
2.1. De Voorzitter doet uitspraak in de zaak zonder behandeling ervan ter zitting.
2.2. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bevat het beroepschrift in aanvulling op de in artikel 6:5, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht gestelde eisen, een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank of de president van de rechtbank.
Ingevolge het tweede lid van dat artikel omschrijft een grief het onderdeel van de uitspraak waarmee de indiener zich niet kan verenigen, alsmede de gronden waarop dat standpunt rust.
Ingevolge het derde lid wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, indien niet is voldaan aan het eerste of tweede lid, aan artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het hoger beroep. Artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Vw 2000 kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich bij haar uitspraak beperken tot een beoordeling van de aangevoerde grieven.
Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan zij zich, indien zij oordeelt dat een aangevoerde grief niet tot vernietiging kan leiden, bij de vermelding van de gronden van haar uitspraak beperken tot dit oordeel.
2.3. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 92 van Pro de Vw 2000, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.4. In de geschiedenis van de totstandkoming van de Vw 2000, meer in het bijzonder van haar artikelen 85 en 91 - gewezen wordt op de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 9-12 - is te lezen dat is gekozen voor een beperkte vorm van hoger beroep die de Afdeling in staat stelt om grote aantallen zaken, waarin geen vragen spelen die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, op snelle en doelmatige wijze af te doen. De gewone behandeling wordt gereserveerd voor zaken waarin dergelijke vragen wel zijn gerezen.
2.5. Hoewel tengevolge van de opzet en de redactie van het hoger beroepschrift niet ten aanzien van elk onderdeel van de aangevallen uitspraak afzonderlijk is te constateren, op welke gronden appellante zich met dat onderdeel niet kan verenigen, bestaat, mede gelet op na te melden beslissing, geen grond voor het oordeel dat niet is voldaan aan het in het eerste of tweede lid van artikel 85 van Pro de Vw 2000 gestelde vereiste, zodat het hoger beroep kan worden ontvangen.
2.6. Het hoger beroepschrift stelt geen rechtsvragen aan de orde die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven. Hetgeen daarin is aangevoerd kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Met dat oordeel kan, gelet op het bepaalde in artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, worden volstaan.
2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.8. Gelet hierop, dient het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen te worden afgewezen.
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Rechtdoende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.L. Frenkel, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Wagtendonk w.g. Frenkel
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2001
206-359.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift
de Secretaris van de Raad van State
voor deze,