ECLI:NL:RVS:2002:AD9048

Raad van State

Datum uitspraak
6 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200102793/1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B. van Wagtendonk
  • J.H.C.A. Muller
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Rijkswet op het Nederlanderschap
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek Nederlanderschap wegens gevaar voor openbare orde

De staatssecretaris heeft het verzoek van appellant om verlening van het Nederlanderschap afgewezen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, omdat ernstige vermoedens bestonden dat appellant gevaar oplevert voor de openbare orde. Dit beleid is gebaseerd op een handleiding waarin wordt aangegeven dat een onherroepelijk strafvonnis met een vrijheidsstraf binnen vier jaar voorafgaand aan het verzoek leidt tot afwijzing.

Appellant was veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, maar dit vonnis is niet onherroepelijk geworden en de straf is nooit ten uitvoer gelegd. Appellant voerde aan dat de staatssecretaris ten onrechte de richtlijnen toepaste en dat hij geen gevaar voor de openbare orde vormt, mede omdat de straf was omgezet in onbetaalde arbeid die bijna was voltooid.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het niet onherroepelijk worden van het vonnis en het niet ten uitvoer leggen van de straf niet leidt tot een andere beoordeling. Het gebruik van een valse naam door appellant bij het opgeven van verblijfplaats rechtvaardigt het standpunt van de staatssecretaris. De handleiding voorziet niet in een dergelijke situatie, maar de staatssecretaris moest zelf beoordelen of het verzoek afgewezen moest worden. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het verzoek om Nederlanderschap wordt afgewezen vanwege ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde ondanks het niet-onherroepelijk vonnis.

Uitspraak

200102793/1.
Datum uitspraak: 6 februari 2000
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Assen van 27 april 2001 in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 mei 1999 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een verzoek van appellant om verlening van het Nederlanderschap afgewezen.
Bij besluit van 6 april 2000 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 27 april 2001, verzonden op dezelfde datum, heeft de arrondissementsrechtbank te Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 31 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 5 juni 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brieven van 13 en 16 augustus 2001 heeft de staatssecretaris van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 oktober 2001, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.J.M. Houben, advocaat te Utrecht, is verschenen. Het onderzoek ter zitting is op 7 december 2001 voortgezet, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de Rijkswet).
Ingevolge deze bepaling wordt een verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de bepalingen van de beide voorgaande artikelen niettemin afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, de volksgezondheid of de veiligheid van het Koninkrijk.
Bij de toepassing van de bepaling hanteert de staatssecretaris de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap van augustus 1994 (hierna: de Handleiding). Deze richtlijnen, van toepassing op aanvragen ingediend vóór 15 november 1999, houden, voor zover thans van belang, in dat het verzoek wordt afgewezen indien in de vier jaar voorafgaande aan de indiening ervan een strafvonnis onherroepelijk is geworden, waarbij aan de verzoeker een vrijheidsbenemende straf is opgelegd. Is het desbetreffende vonnis, te rekenen vanaf de datum van het verzoek, meer dan vier jaar geleden onherroepelijk geworden, maar heeft betrokkene in de vier jaar voorafgaande aan het verzoek de opgelegde straf ondergaan, dan wordt het verzoek evenzeer afgewezen. Bij (vervroegde) invrijheidstelling begint een nieuwe termijn van vier jaar te lopen op het moment daarvan.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling mag vorenomschreven beleid als uitgangspunt dienen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ernstige vermoedens dat de betrokkene gevaar oplevert voor de openbare orde.
2.2. Appellant is bij vonnis van 8 januari 1996 door de politierechter te Dordrecht veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden. De betekening van dat vonnis heeft niet plaatsgevonden. Het is - naar tussen partijen vast staat - niet onherroepelijk geworden en de vrijheidsstraf is nimmer ten uitvoer gelegd.
2.3. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Nu het strafvonnis niet onherroepelijk is geworden, heeft de staatssecretaris volgens appellant de in de handleiding neergelegde richtlijnen ten onrechte toegepast.
Dat hij sinds zijn veroordeling van 8 januari 1996 niet meer in aanraking is geweest met justitie vanwege strafbare feiten, dient naar zijn mening te leiden tot de conclusie dat hij geen gevaar vormt voor de openbare orde. Voorts heeft hij erop gewezen dat de aan hem opgelegde gevangenisstraf inmiddels is omgezet in 100 uren onbetaalde arbeid ten algemeen nutte en dat deze arbeid bijna is voltooid.
2.4. Dit betoog faalt. Onbetwist is dat het niet tot betekening van het strafvonnis is gekomen, vanwege het door appellant hier te lande opgeven van een valse naam. Onder deze omstandigheid ziet de Afdeling, evenmin als de rechtbank, reden om tot het oordeel te komen dat de staatssecretaris zich - in het licht van het in de Handleiding neergelegde beleid - niet op het standpunt heeft mogen stellen dat ten aanzien van appellant ernstige vermoedens bestonden in de zin van voormeld artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet. Dat in de Handleiding, zoals appellant stelt, geen rekening is gehouden met een geval als hier aan de orde, brengt niet met zich dat het verzoek reeds om die reden moest worden ingewilligd. In zo een geval moet de staatssecretaris rechtstreeks beoordelen of een juiste toepassing van genoemd artikelonderdeel moet leiden tot afwijzing van het verzoek. Hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, kan evenmin tot de conclusie leiden dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.
2.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.C.A. Muller, ambtenaar van Staat.
w.g. van Wagtendonk w.g. Muller
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2002
242-394.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,