ECLI:NL:RVS:2002:AD9048
Raad van State
- Hoger beroep
- B. van Wagtendonk
- J.H.C.A. Muller
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek Nederlanderschap wegens gevaar voor openbare orde
De staatssecretaris heeft het verzoek van appellant om verlening van het Nederlanderschap afgewezen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, omdat ernstige vermoedens bestonden dat appellant gevaar oplevert voor de openbare orde. Dit beleid is gebaseerd op een handleiding waarin wordt aangegeven dat een onherroepelijk strafvonnis met een vrijheidsstraf binnen vier jaar voorafgaand aan het verzoek leidt tot afwijzing.
Appellant was veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, maar dit vonnis is niet onherroepelijk geworden en de straf is nooit ten uitvoer gelegd. Appellant voerde aan dat de staatssecretaris ten onrechte de richtlijnen toepaste en dat hij geen gevaar voor de openbare orde vormt, mede omdat de straf was omgezet in onbetaalde arbeid die bijna was voltooid.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het niet onherroepelijk worden van het vonnis en het niet ten uitvoer leggen van de straf niet leidt tot een andere beoordeling. Het gebruik van een valse naam door appellant bij het opgeven van verblijfplaats rechtvaardigt het standpunt van de staatssecretaris. De handleiding voorziet niet in een dergelijke situatie, maar de staatssecretaris moest zelf beoordelen of het verzoek afgewezen moest worden. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om Nederlanderschap wordt afgewezen vanwege ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde ondanks het niet-onherroepelijk vonnis.