ECLI:NL:RVS:2002:AD9429
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H.B. van der Meer
- M.G.J. Parkins-de Vin
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke handhaving bouwvergunningplicht uitbreiding stacaravan op kampeerterrein
Appellanten hadden hun stacaravan op een kampeerterrein uitgebreid zonder bouwvergunning. Burgemeester en wethouders van Waterland legden een last onder dwangsom op om de uitbreiding ongedaan te maken. De president van de arrondissementsrechtbank verklaarde het beroep van appellanten gegrond wegens onduidelijkheid over het te slopen gedeelte en mogelijke strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
De Raad van State oordeelt dat de uitzondering in artikel 1, derde lid, van de Wet op de openluchtrecreatie (WOR) alleen ziet op het plaatsen van een caravan, niet op uitbreidingen daarvan. Uitbreiding van de caravan is een bouwwerk waarvoor een bouwvergunning vereist is volgens artikel 40 van Pro de Woningwet. Omdat geen vergunning is verleend, is handhaving door middel van bestuursdwang gerechtvaardigd.
De Raad van State verwerpt het beroep van appellanten dat legalisatie mogelijk zou zijn en stelt dat de uitbreiding niet kan worden aangemerkt als kampeermiddel of bouwwerk geen gebouw zijnde. Ook het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel wordt verworpen omdat het bestreden besluit voldoende duidelijk is. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat geen gelijke gevallen zijn aangetoond.
De uitspraak van de president wordt vernietigd en het beroep bij de rechtbank alsnog ongegrond verklaard. Het door appellanten betaalde griffierecht wordt terugbetaald. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De uitbreiding van de caravan is vergunningplichtig en het beroep tegen de dwangsomaanschrijving wordt ongegrond verklaard.