ECLI:NL:RVS:2002:AE0349

Raad van State

Datum uitspraak
6 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200101680/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechtenArt. 28 Verdrag inzake de rechten van het kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing vergoeding vervoerskosten schoolbezoek dochter in regulier voortgezet onderwijs

Appellante verzocht burgemeester en wethouders van Heusden om vergoeding van de kosten van eigen vervoer voor het schoolbezoek van haar dochter aan een school voor regulier voortgezet onderwijs. Dit verzoek werd bij besluit van 12 juli 1999 afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Raad van State.

De Raad van State overwoog dat de verordening leerlingenvervoer gemeente Heusden 1999 primair, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs onderscheidt van regulier voortgezet onderwijs, waarbij alleen voor het eerste aanspraak bestaat op vergoeding van noodzakelijke vervoerskosten. Dit onderscheid is niet ongerechtvaardigd, omdat het onderwijsaanbod niet vergelijkbaar is. De verordening biedt geen grondslag voor vergoeding van vervoerskosten voor regulier voortgezet onderwijs, ook niet via de hardheidsclausule.

Verder faalt het betoog dat de afwijzing een schending van internationale verdragsbepalingen of het gelijkheidsbeginsel inhoudt. Het feit dat burgemeester en wethouders uit welwillendheid een bedrag van ƒ 750,00 hebben toegekend, verplicht hen niet tot volledige vergoeding buiten de verordening om. De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de vergoeding bevestigd.

Uitspraak

Raad
van State
200101680/1.
Datum uitspraak: 6 maart 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
A, wonend te B,
appellante,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te ‘s-Hertogenbosch van 30 januari 2001 in het geding tussen:
appellante
en
burgemeester en wethouders van Heusden.
1. Procesverloop
Bij besluit van 12 juli 1999 hebben burgemeester en wethouders van Heusden (hierna: burgemeester en wethouders) een verzoek van appellante om vergoeding van de kosten van eigen vervoer voor het schoolbezoek van haar dochter afgewezen.
Bij besluit van 16 november 1999 hebben zij op advies van de commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 30 januari 2001, verzonden op 1 februari 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te ‘s-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 maart 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 28 maart 2001. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 28 juni 2001 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2001, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. L.H.J. Verhoeven, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit hebben burgemeester en wethouders toepassing gegeven aan de Verordening leerlingenvervoer gemeente Heusden 1999 (hierna: de verordening). Het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat haar ook een vergoeding had moeten worden toegekend, ook indien de verordening daar niet in voorziet, nu de afwijzing een schending van artikel 13 van Pro het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en artikel 28 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind oplevert, faalt, reeds omdat deze artikelen geen een ieder verbindende bepalingen behelzen.
2.2. Gegeven het in de wet neergelegde onderscheid tussen enerzijds primair, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, waarvoor in beginsel aanspraak bestaat op een vergoeding voor noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van schoolbezoek, en anderzijds regulier voortgezet onderwijs, waarvoor zodanige aanspraak niet bestaat, en in aanmerking genomen dat het aanbod aan speciaal en voortgezet speciaal onderwijs niet op één lijn kan worden gesteld met dat aan regulier voortgezet onderwijs, kan niet worden geoordeeld dat in de verordening een ongerechtvaardigd onderscheid is gemaakt doordat daarin geen aanspraak op vergoeding van vervoerskosten voor het regulier voortgezet onderwijs is geregeld. Het betoog dat burgemeester en wethouders, nu de verordening om die reden onverbindend is, daaraan geen toepassing mochten geven, faalt derhalve.
2.3. De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat de school voor regulier voortgezet onderwijs, voor het bezoek waarvan door de dochter vergoeding van het eigen vervoer is verzocht, geen school is, waar de verordening betrekking op heeft en dat de verordening met inbegrip van de in artikel 26 vervatte Pro hardheidsclausule geen grondslag biedt om aan het verzoek tegemoet te komen.
2.4. Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders met hun afwijzing het gelijkheidsbeginsel hebben geschonden, faalt, reeds omdat niet aannemelijk is geworden dat burgemeester en wethouders in het door appellante aan dat betoog ten grondslag gelegde geval in strijd met de verordening vervoerskosten, ten behoeve van bezoek van een school voor regulier voortgezet onderwijs, hebben vergoed.
2.5. Dat burgemeester en wethouders aan appellante uit welwillendheid niettemin ƒ 750,00 hebben toegekend, betekent niet dat zij, zoals zij betoogt, gehouden waren om, buiten de verordening om, aan het verzoek geheel tegemoet te komen.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Schuurman
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2002
-282.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,