2. Overwegingen
2.1. De intrekking houdt verband met het verplaatsen van ammoniakemissierechten.
2.2. Verweerders hebben gesteld dat het beroep van appellanten niet-ontvankelijk is omdat het niet zijn grondslag in de bedenkingen vindt.
Ingevolge artikel 20.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:
a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;
b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;
c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;
d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.
De Afdeling is van oordeel dat uit deze bepaling moet worden afgeleid dat in de gevallen, bedoeld onder a en c, tegen het besluit slechts beroepsgronden kunnen worden voorgedragen die hun grondslag vinden in de door appellanten tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen, dan wel betrekking hebben op wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht. Uit de stukken is gebleken dat appellanten separaat bedenkingen hebben ingebracht.
De Vereniging Milieu-Offensief en (…) hebben in hun bedenkingen van 1 mei 2001 aangevoerd dat rechten zijn vervallen omdat in de inrichting minder dieren zijn gehouden dan waren vergund en dat verweerders door het raadplegen van diertellinggegevens hadden moeten onderzoeken hoeveel rechten er zijn vervallen. (…) heeft op 2 mei 2001 als bedenking ingebracht dat hij bezwaar heeft tegen het verplaatsen van de ammoniakemissierechten naar een andere locatie, namelijk het bedrijf van (…) gelegen op het perceel (…) te (…).
In het beroepschrift voeren appellanten aan dat de vergunning niet kan worden ingetrokken omdat deze reeds bij een eerder besluit is ingetrokken. De Afdeling is van oordeel dat het beroep niet zijn grondslag vindt in de door appellanten ingebrachte bedenkingen. Evenmin heeft het beroep betrekking op wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht. Verder is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet zou kunnen worden tegengeworpen op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep niet-ontvankelijk is.
2.3. Het beroep is niet-ontvankelijk.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing