2. Overwegingen
2.1. Appellanten voeren aan dat er ten gevolge van gewijzigde openingstijden van de inrichting sprake zal zijn van een toename van verkeer over de toegangsweg die naar de inrichting leidt. Dit zal geluids-, lawaai- en stankoverlast voor appellanten met zich brengen.
2.2. De Afdeling stelt allereerst vast dat de toegangsweg geen onderdeel uitmaakt van de inrichting. Wat de toename van het verkeer betreft stelt de Afdeling vast dat in de aanvraag om de vergunning, die ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.1.2 deel uitmaakt van de vergunning, is vermeld dat de totale hoeveelheid aan- en afvoerbewegingen van voertuigen bestaat uit twee personenauto’s tussen 7.00 en 19.00 uur enkele malen per week in verband met aanvoer van goederen, vijf à zeven personenauto’s tussen 19.00 en 23.00 uur gedurende drie dagen per week, en twee personenauto’s tussen 23.00 en 7.00 uur enkele malen per jaar.
Verweerders hebben, mede gezien het geringe aantal verkeersbewegingen, in redelijkheid kunnen concluderen dat de gevolgen voor het milieu van die bewegingen niet zodanig zijn dat de vergunning had moeten worden geweigerd dan wel dat aan de vergunning aanvullende voorschriften moeten worden verbonden.
2.3. Appellanten vrezen ten gevolge van de in het ontwerp?bestemmingsplan “Nijverdal Centrum 8e herziening” voorziene bouw van garages een verdere toename van verkeer over de toegangsweg.
De bedoelde garages zijn geen onderdeel van de inrichting, zodat deze grond zich niet richt tegen de ter beoordeling staande vergunning en reeds om die reden niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Hetzelfde geldt voor het betoog van appellanten dat verweerders geen controle zullen uitoefenen op de naleving van de in de vergunning gestelde openingstijden.
2.4. Appellanten vrezen verder, voornamelijk ten tijde van feesten, schietavonden en schietwedstrijden in de inrichting, parkeeroverlast in de buurt.
De Afdeling overweegt dat gelet op de beperkte openingstijden van de inrichting en gelet op het feit dat de parkeerplaatsen op het terrein van de inrichting ook in de avonden door bezoekers van de inrichting gebruikt kunnen worden, verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de parkeeroverlast dusdanig beperkt is dat geen verdergaande voorschriften hieromtrent in de vergunning hoeven te worden opgenomen.
2.5. Het beroep is ongegrond.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.