ECLI:NL:RVS:2002:AE0635

Raad van State

Datum uitspraak
22 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200200290/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • E.J.J.M. van Tielraden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet openbaarheid van bestuur
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake inzage bestuursstukken

Verzoekster, Elektroschmelzwerk Delfzijl B.V., had bij de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een verzoek ingediend om inzage te krijgen in bestuursstukken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur. De minister had dit verzoek gedeeltelijk ingewilligd en deels afgewezen. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd het beroep ongegrond verklaard. Verzoekster stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat toewijzing van het verzoek tot onomkeerbare gevolgen zou leiden, omdat inzage in de stukken niet meer ongedaan kan worden gemaakt indien het hoger beroep ongegrond wordt verklaard. Verzoekster stelde dat de stukken ontlastend materiaal bevatten voor een aanstaande strafzaak, maar had nagelaten uitstel van die strafzaak te vragen.

Gezien het ontbreken van zeer zwaarwegende belangen van verzoekster en de mogelijkheid om ontlastend materiaal later in de strafprocedure te gebruiken, werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van zeer zwaarwegende belangen.

Uitspraak

Raad
van State
200200290/2.
Datum uitspraak: 22 februari 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Elektroschmelzwerk Delfzijl B.V.”, gevestigd te Delfzijl,
verzoekster,
tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 10 december 2001 in het geding tussen:
verzoekster
en
de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
1. Procesverloop
Bij besluit van 17 juli 2001 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) het verzoek van verzoekster om haar op grond van de Wet openbaarheid van bestuur bepaalde op haar betrekking hebbende stukken, zoals ambtelijke adviezen, interne notities, besprekingsverslagen en notulen, te verstrekken wat betreft zevenentwintig stukken ingewilligd doch voor het overige afgewezen.
Bij besluit van 12 oktober 2001 heeft de minister het door verzoekster daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 december 2001, verzonden op 12 december 2001, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Groningen (hierna: de president) het door verzoekster daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoekster bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2002, hoger beroep ingesteld. Voorts is de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 februari 2002, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. Ph.J.J. Drost, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Naar ook door verzoekster niet wordt betwist zal toewijzing van het verzoek tot onomkeerbare gevolgen leiden. Immers, zij zal dan kennis kunnen nemen van de inhoud van de stukken, waarvan de minister haar ? naar het oordeel van de president terecht ? inzage heeft geweigerd, hetgeen, wanneer het hoger beroep vervolgens ongegrond wordt verklaard, niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Het is duidelijk dat de minister er groot belang bij heeft een dergelijke situatie te voorkomen. Gelet daarop bestaat voor inwilliging van het verzoek alleen aanleiding, indien sprake is van daartegenover staande zeer zwaarwegende belangen van verzoekster. Daarvan is evenwel niet gebleken. Weliswaar voert verzoekster aan dat de strafzaak tegen haar binnenkort, te weten op 11 april aanstaande, door de rechtbank te Groningen zal worden behandeld en het hier mogelijk om voor haar ontlastend materiaal in die zaak gaat, in een dergelijke situatie had het echter op de weg van verzoekster gelegen uitstel van de behandeling van de strafzaak te vragen. Dat daartoe pogingen zijn aangewend is gesteld noch gebleken. Overigens kan ontlastend materiaal ook in een latere fase nog in de strafrechtelijke procedure worden betrokken.
2.3. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat derhalve geen aanleiding en het verzoek daartoe wordt niet ingewilligd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn?van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.J.J.M. van Tielraden, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Tielraden
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2002
156.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,