ECLI:NL:RVS:2002:AE0661
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H.B. van der Meer
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering splitsingsvergunning wegens behoud huurwoningvoorraad in Rotterdam
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam die de weigering van een splitsingsvergunning ten behoeve van H.G. van der Windt Holding B.V. vernietigde. De vergunningaanvraag betrof het splitsen van een pand in drie appartementsrechten.
De Huisvestingsverordening Rotterdam 1996 voorziet in specifieke weigeringsgronden voor splitsingsvergunningen, waaronder het behoud van de huurwoningvoorraad. De gemeente had de vergunning geweigerd op grond van deze regels en beleidsregels die onder meer een belangenafweging vereisen tussen het belang van behoud van huurwoningen en het belang van de aanvrager.
De rechtbank oordeelde dat de gemeente een buitenwettelijke weigeringsgrond had gehanteerd en het besluit vernietigde. De Raad van State oordeelt echter dat de rechtbank ten onrechte niet heeft getoetst aan de belangenafweging die de gemeente had gemaakt. De Afdeling stelt dat deze belangenafweging onvoldoende inzichtelijk is gemaakt en dat de gemeente bij hernieuwde beslissing op bezwaar deze belangenafweging duidelijk en gemotiveerd moet uitvoeren.
Daarnaast bespreekt de Afdeling de beleidsregel die een minimale omvang van 24 woningen voor een Vereniging van Eigenaren stelt als voorwaarde voor vergunningverlening, en oordeelt dat deze kwantitatieve eis onvoldoende onderbouwd is. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en beveelt een nieuwe, deugdelijke belangenafweging binnen tien weken aan.
Uitkomst: De weigering van de splitsingsvergunning wordt bevestigd wegens onvoldoende motivering, met de verplichting tot een nieuwe belangenafweging.