ECLI:NL:RVS:2002:AE0664
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H.B. van der Meer
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering splitsingsvergunning wegens behoud huurwoningenvoorraad in Rotterdam
Curpohold B.V. verzocht om een splitsingsvergunning voor het pand Willem Buytewechstraat 208 te Rotterdam. De deelgemeente Delfshaven weigerde deze vergunning op grond van artikel 3.2.5, derde lid, van de Huisvestingsverordening Rotterdam 1996, met als belangrijkste reden het belang van het behoud van de huurwoningenvoorraad. De rechtbank en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelden dat de motivering van deze weigering onvoldoende inzichtelijk was, met name omdat de belangenafweging tussen het behoud van de woonruimtevoorraad en het individuele belang van de aanvrager niet duidelijk was gemaakt.
De Raad van State benadrukte dat de beleidsregels van de gemeente Rotterdam aanvullende voorwaarden bevatten waaronder een vergunning toch kan worden verleend, bijvoorbeeld bij een Vereniging van Eigenaren (VvE) van minimaal 24 woningen met een goed beheer- en onderhoudsplan. De Afdeling stelde echter vast dat deze kwantitatieve eis van 24 woningen onvoldoende onderbouwd is en niet noodzakelijk is om het onderhoud te waarborgen.
De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het besluit van 11 mei 1999 niet deugdelijk was gemotiveerd en dat de deelgemeente opnieuw op bezwaar moet beslissen met een zorgvuldige en inzichtelijke belangenafweging. Tevens werd de gemeente veroordeeld tot betaling van proceskosten aan Curpohold B.V. De uitspraak onderstreept het belang van een transparante en evenwichtige afweging bij vergunningverlening in het kader van de Huisvestingswet.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de splitsingsvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de deelgemeente moet opnieuw besluiten met een zorgvuldige belangenafweging.