ECLI:NL:RVS:2002:AE0665
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H.B. van der Meer
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering splitsingsvergunning en belangenafweging behoud huurwoningen
De zaak betreft het hoger beroep van het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam die de weigering van een splitsingsvergunning voor een pand aan de Schiedamseweg 86 te Rotterdam vernietigde. De vergunning werd geweigerd op grond van de Huisvestingsverordening Rotterdam 1996, die onder meer het behoud van de huurwoningenvoorraad als criterium hanteert.
De rechtbank oordeelde dat de gemeente een buitenwettelijke weigeringsgrond had toegepast en dat het besluit niet deugdelijk was gemotiveerd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelt echter dat de rechtbank ten onrechte niet heeft getoetst of de belangenafweging door de gemeente correct was uitgevoerd. De Afdeling concludeert dat de gemeente onvoldoende inzicht heeft gegeven in de wijze waarop zij het belang van behoud van de woonruimtevoorraad en het belang van de vergunningaanvrager heeft afgewogen.
Verder bespreekt de Afdeling de beleidsregels van de gemeente Rotterdam, waaronder een voorwaarde dat een Vereniging van Eigenaren (VvE) minimaal 24 woningen moet omvatten om een splitsingsvergunning te kunnen verlenen. De Afdeling acht deze kwantitatieve eis onvoldoende onderbouwd en niet noodzakelijk voor het beoogde doel.
De Afdeling bevestigt het oordeel van de rechtbank dat het besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en verklaart het hoger beroep ongegrond. De gemeente moet binnen tien weken na verzending van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar beslissen met een deugdelijke en inzichtelijke belangenafweging.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van de gemeente wordt bevestigd met de verplichting tot een nieuwe deugdelijke belangenafweging.