ECLI:NL:RVS:2002:AE0668
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H.B. van der Meer
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering splitsingsvergunning wegens behoud huurwoningenvoorraad in Rotterdam
De zaak betreft het hoger beroep tegen de weigering van een splitsingsvergunning door het dagelijks bestuur van de deelgemeente Noord van Rotterdam. De vergunningaanvraag betrof het splitsen van een pand in drie appartementsrechten. De gemeente weigerde de vergunning op grond van de Huisvestingsverordening Rotterdam 1996, met als belangrijkste reden het belang van het behoud van de huurwoningenvoorraad.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de weigering onvoldoende was gemotiveerd en het besluit vernietigd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelt vast dat de rechtbank ten onrechte een buitenwettelijke weigeringsgrond toekende aan beleidsregels die slechts mogelijkheden tot vergunningverlening bieden. De Afdeling benadrukt dat de gemeente een zorgvuldige en inzichtelijke belangenafweging moet maken, waarbij het individuele belang van de aanvrager en het algemene belang van behoud van huurwoningen tegen elkaar moeten worden afgewogen.
De Raad van State oordeelt dat de motivering van de gemeente onvoldoende is en dat niet duidelijk is welk gewicht aan de verschillende belangen is toegekend. Ook wordt de kwantitatieve eis van een Vereniging van Eigenaren van minimaal 24 woningen kritisch beoordeeld als onvoldoende onderbouwd. De Afdeling bevestigt het oordeel van de rechtbank dat het besluit niet in stand kan blijven en beveelt dat de gemeente binnen tien weken opnieuw op het bezwaar beslist met een deugdelijke motivering.
Tot slot veroordeelt de Afdeling de gemeente tot betaling van proceskosten aan de verzoeker.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de splitsingsvergunning wordt vernietigd vanwege onvoldoende motivering en de gemeente moet opnieuw beslissen met een zorgvuldige belangenafweging.