ECLI:NL:RVS:2002:AE0674
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H.B. van der Meer
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering splitsingsvergunning en belangenafweging behoud huurwoningen
Het geschil betreft de weigering van een splitsingsvergunning voor een pand in Rotterdam door het dagelijks bestuur van de deelgemeente Noord. De vergunningaanvraag werd afgewezen op grond van de Huisvestingsverordening Rotterdam 1996, die het behoud van de huurwoningvoorraad als belangrijk belang stelt. De rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hebben geoordeeld dat de motivering van de weigering onvoldoende inzichtelijk was, met name rond de belangenafweging tussen het behoud van de huurwoningen en het belang van de aanvrager.
De Raad van State stelt vast dat de rechtbank ten onrechte een buitenwettelijke weigeringsgrond heeft aangenomen, terwijl de gemeente haar belangenafweging niet voldoende heeft toegelicht. De Afdeling benadrukt dat de gemeente bij heroverweging alle relevante feiten en omstandigheden moet betrekken en de belangenafweging helder moet motiveren, zoals vereist door de Algemene wet bestuursrecht.
Verder bespreekt de uitspraak de beleidsregels van de gemeente Rotterdam, waaronder een eis dat een Vereniging van Eigenaren minimaal 24 woningen moet omvatten om een vergunning te kunnen verlenen ondanks het belang van het behoud van huurwoningen. De Afdeling oordeelt dat deze kwantitatieve eis onvoldoende onderbouwd is en niet noodzakelijk is voor het beoogde doel.
De uitspraak bevestigt het eerdere oordeel van de rechtbank dat het besluit niet kan blijven bestaan en beveelt de gemeente aan binnen tien weken opnieuw te beslissen op het bezwaar met een deugdelijke belangenafweging en motivering. Tevens wordt de gemeente veroordeeld tot betaling van proceskosten aan de verzoekers.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat het besluit tot weigering van de splitsingsvergunning onvoldoende is gemotiveerd en beveelt heroverweging binnen tien weken.