ECLI:NL:RVS:2002:AE0678
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H.B. van der Meer
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering splitsingsvergunning wegens behoud huurwoningvoorraad in Rotterdam
Het geschil betreft de weigering van het dagelijks bestuur van de deelgemeente Noord van Rotterdam om een splitsingsvergunning te verlenen voor een pand. De weigering was gebaseerd op de Huisvestingsverordening Rotterdam 1996, gericht op het behoud van de huurwoningvoorraad.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de weigering op basis van een buitenwettelijke grond was genomen en vernietigde het besluit. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt echter dat de rechtbank ten onrechte niet heeft getoetst aan de belangenafweging die de gemeente had moeten maken volgens artikel 3.2.5, derde lid, onder d, van de Huisvestingsverordening.
De Raad stelt dat de gemeente onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe zij de belangen van de vergunningaanvrager en het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad heeft afgewogen. De gemeente moet deze afweging opnieuw en beter gemotiveerd maken.
Verder bespreekt de Raad de beleidsregels omtrent de minimale omvang van de Vereniging van Eigenaren (VvE) van 24 woningen als voorwaarde voor vergunningverlening, en oordeelt dat deze kwantitatieve eis onvoldoende onderbouwd is.
De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond, bevestigt het oordeel van de rechtbank met verbeterde gronden en legt een termijn van tien weken op voor de nieuwe beslissing op bezwaar.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de gemeente de weigering onvoldoende heeft gemotiveerd en beveelt een nieuwe belangenafweging binnen tien weken.