ECLI:NL:RVS:2002:AE0681
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H.B. van der Meer
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering splitsingsvergunning en belangenafweging behoud huurwoningen
Curpohold B.V. verzocht om een splitsingsvergunning voor een pand in Rotterdam, welke door het dagelijks bestuur van de deelgemeente Noord werd geweigerd op grond van de Huisvestingsverordening Rotterdam 1996. De rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelden dat de weigering onvoldoende was gemotiveerd, met name omdat de belangenafweging tussen het behoud van de huurwoningvoorraad en het belang van de aanvrager niet duidelijk was gemaakt.
De gemeente stelde dat het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad zwaarder weegt dan het belang van de aanvrager, mede op basis van gegevens van het Centrum voor Onderzoek en Statistiek (COS). De Afdeling vond deze motivering echter onvoldoende en stelde dat de gemeente bij hernieuwde besluitvorming een transparante en toegespitste belangenafweging moet maken, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden moeten worden betrokken.
Daarnaast werd de beleidsregel besproken die onder bepaalde voorwaarden toch vergunningverlening mogelijk maakt, zoals de eis van een Vereniging van Eigenaren (VvE) met minimaal 24 woningen en een adequaat onderhoudsplan. De Afdeling stelde dat deze kwantitatieve eis onvoldoende onderbouwd is en niet noodzakelijkerwijs het beoogde doel dient.
De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het besluit niet in stand kan blijven vanwege gebrekkige motivering en bepaalde dat de gemeente binnen tien weken opnieuw op bezwaar moet beslissen met een deugdelijke belangenafweging. Tevens werd de gemeente veroordeeld tot betaling van proceskosten aan Curpohold B.V.
Uitkomst: Het hoger beroep van de gemeente Rotterdam wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de splitsingsvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.