AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen revisievergunning milieubeheer na inwerkingtreding nieuw besluit
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een revisievergunning verleend door burgemeester en wethouders van Breda voor een inrichting onder de Wet milieubeheer. Na het bestreden besluit is het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer in werking getreden, waardoor de vergunningplicht voor deze inrichting is komen te vervallen.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft vastgesteld dat het Besluit van toepassing is en dat de vergunning op het moment van inwerkingtreding van het Besluit nog niet onherroepelijk was. Hierdoor heeft appellant geen procesbelang meer bij een oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Op grond hiervan verklaart de Afdeling het beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 27 maart 2002.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een procesbelang na vervallen vergunningplicht.
Uitspraak
200000140/2.
Datum uitspraak: 27 maart 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
burgemeester en wethouders van Breda,
verweerders.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 december 1999, kenmerk Wmb/990059, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting aan de[lokatie] te [plaats]. Dit aangehechte besluit is op 23 december 1999 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 8 januari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2000, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 30 mei 2000 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2002, waar appellant, in persoon, en verweerders, vertegenwoordigd door
mr. M.J.C.J. van Kuijk en ing. P.C. Pijnenburg, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting:
a. op te richten;
b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;
c. in werking te hebben.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel geldt het verbod niet met betrekking tot inrichtingen behorende tot een categorie die bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, is aangewezen, behoudens in gevallen waarin, krachtens de tweede volzin van dat lid, de bij die maatregel gestelde regels niet gelden voor een zodanige inrichting.
2.2. Na het nemen van het bestreden besluit is op 1 december 2000 het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) in werking getreden. Het Besluit is een krachtens genoemd artikel 8.40, eerste lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de inrichting valt onder de in artikel 2 vanPro het Besluit genoemde categorieën inrichtingen waarop het Besluit van toepassing is. Tevens is gebleken dat de in artikel 3 vanPro het Besluit opgenomen uitzonderingen op de toepasselijkheid zich niet voordoen. Gelet hierop is het Besluit met ingang van 1 december 2000 op de inrichting van toepassing. Dit betekent dat met ingang van deze datum de vergunningplicht voor de inrichting is komen te vervallen.
2.3. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit blijven de voorschriften van een vergunning in verbinding met de gegevens die behoren bij de aanvraag, alsmede de aanvraag voorzover die deel uitmaakt van de vergunning en gegevens bevat die zich lenen voor opname of omzetting in voorschriften, gelden als nadere eis, bedoeld in artikel 5, behoudens eerdere wijziging of intrekking van die voorschriften, gedurende drie jaar na het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit op die inrichting, mits het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in artikel 5, eerste lid, onder a, voor een inrichting die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds was opgericht en waarvoor onmiddellijk daaraan voorafgaand een vergunning in werking en onherroepelijk was.
Deze bepaling heeft voor het bestreden besluit echter geen betekenis, aangezien de vergunning ten gevolge van het onderhavige beroep op 1 december 2000 nog niet onherroepelijk was.
2.4. Dit zo zijnde, en nu ook overigens niet is gebleken dat appellant nog processueel belang heeft bij een oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep niet?ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Lid van de enkelvoudige kamer,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.