ECLI:NL:RVS:2002:AE0707

Raad van State

Datum uitspraak
27 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200104654/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • E.L. Berg
  • I. Beurmanjer-de Lange
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.4 WmArt. 8.10 WmArt. 8.11 Wm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging geluidgrenswaarden vergunning agrarisch bedrijf wegens strijd met zorgvuldigheidsbeginsel

Appellanten, exploitanten van een agrarisch bedrijf te Veldhoven, maakten bezwaar tegen het in het revisiebesluit opgenomen voorschrift 8.1.2, waarin strengere geluidgrenswaarden werden gesteld dan in de onderliggende vergunning. Verweerders hadden abusievelijk verzuimd het voorschrift aan te passen aan de aanvaardbare grenswaarden uit de circulaire Industrielawaai.

De Raad van State oordeelde dat het besluit in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel omdat het voorschrift 8.1.2 niet overeenkwam met de aanvaardbare geluidgrenswaarden die ook in de vergunning waren opgenomen. Daarom werd het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor zover het voorschrift betreft.

De Afdeling verving het vernietigde voorschrift door een nieuw voorschrift met geluidgrenswaarden van 70 dB(A) overdag, 65 dB(A) in de avond en 60 dB(A) 's nachts, conform de circulaire. Tevens werden de proceskosten aan verweerders opgelegd en werd het griffierecht aan appellanten vergoed.

De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige besluitvorming en het volgen van algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten bij het stellen van vergunningvoorschriften.

Uitkomst: Het voorschrift over geluidgrenswaarden in de vergunning wordt vernietigd en vervangen door een nieuw voorschrift conform de circulaire Industrielawaai.

Uitspraak

200104654/1.
Datum uitspraak: 27 maart 2002.
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant],
appellanten,
en
burgemeester en wethouders van Veldhoven,
verweerders.
1. Procesverloop
Bij besluit van 7 augustus 2001 hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan appellanten een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een agrarisch bedrijf met een fok- en africhtingshal voor paarden, pensionstal voor paarden en een vleesstierenhouderij gelegen op het perceel [lokatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Veldhoven, sectie […], nummers […] en […]. Dit aangehechte besluit is op 9 augustus 2001 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 13 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 27 november 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. E.A.M. Leenaerts, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. S.M. Brand-Borghaerts en ing. E. Bergmeester, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Voor de inrichting is eerder op 19 oktober 1993 krachtens de Wet milieubeheer een oprichtingsvergunning verleend.
2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.
Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.
2.3. Appellanten, drijvers van de inrichting, kunnen zich niet verenigen met de in voorschrift 8.1.2 gestelde geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau aangezien deze waarden strenger zijn dan de geluidgrenswaarden die aan de onderliggende vergunning waren verbonden. De bedrijfsvoering wordt hierdoor onnodig belemmerd, aldus appellanten.
2.3.1. Verweerders zijn bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder uitgegaan van de circulaire Industrielawaai (hierna: de circulaire). Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder hebben verweerders voorschriften aan de vergunning verbonden.
Ingevolge voorschrift 8.1.2 mag het maximale geluidniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten in de representatieve bedrijfssituatie, ter plaatse van de gevel van de dichtstbijgelegen woning van derden en voor het overige op 50 meter van de grens van de inrichting niet meer bedragen dan:
- 50 dB(A) op 1,5 meter hoogte in de uren gelegen tussen 07.00 en 19.00 uur;
- 45 dB(A) op 5 meter hoogte in de uren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur;
- 40 dB(A) op 5 meter hoogte in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur.
2.3.2. Niet in geschil is dat de in voorschrift 8.1.2. opgenomen geluidgrenswaarden strenger zijn dan de geluidgrenswaarden die aan de onderliggende vergunning waren verbonden. Naar aanleiding van de door appellanten tegen het ontwerp-besluit ingebrachte bedenkingen hebben verweerders in het bestreden besluit overwogen dat zij de aan de onderliggende vergunning verbonden geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau te weten 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode, ook aan de bij het bestreden besluit verleende vergunning willen verbinden. De Afdeling stelt vast dat deze geluidgrenswaarden niet afwijken van de grenswaarden die in de circulaire als maximaal aanvaardbaar zijn aangemerkt. Abusievelijk hebben verweerders verzuimd, zoals zij ter zitting hebben erkend, voorschrift 8.1.2 aan te passen. Zij verzoeken de Afdeling dan ook dit voorschrift te vernietigen en zelf in de zaak te voorzien. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit in strijd met het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.
2.4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het voorschrift 8.1.2 betreft. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
2.5. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Veldhoven van 7 augustus 2001 voorzover het voorschrift 8.1.2 betreft;
III. bepaalt dat het volgende voorschrift in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;
8.1.2
Het maximale geluidniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten in de representatieve bedrijfssituatie, mag ter plaatse van de gevel van de dichtstbijgelegen woning van derden en voor het overige op 50 meter van de grens van de inrichting niet meer bedragen dan:
- 70 dB(A) op 1,5 meter hoogte in de uren gelegen tussen 07.00 en 19.00 uur;
- 65 dB(A) op 5 meter hoogte in de uren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur;
- 60 dB(A) op 5 meter hoogte in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur.
IV. veroordeelt burgemeester en wethouders van Veldhoven in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Veldhoven te worden betaald aan appellanten;
V. gelast dat de gemeente Veldhoven aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.
Aldus vastgesteld door drs. E.L. Berg, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat.
w.g. Berg w.g. Beurmanjer-de Lange
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2002.
241-307.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,