ECLI:NL:RVS:2002:AE0720

Raad van State

Datum uitspraak
27 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200104820/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • E.L. Berg
  • P.A. de Vink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20.3 Wet milieubeheerArt. 20.10 Wet milieubeheerArt. 8.26 Wet milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking veebestand wegens strijd met Wet milieubeheer

Burgemeester en wethouders van Ermelo hebben een besluit genomen tot intrekking van het veebestand voor het houden van 16.975 vleeskuikens aan een locatie te Ermelo. Appellant heeft hiertegen beroep ingesteld bij de Raad van State. Verweerders stelden het beroep niet-ontvankelijk, maar de Raad oordeelde dat het beroep ontvankelijk is omdat het gebaseerd is op bedenkingen tegen het besluit.

Appellant voerde aan dat het besluit in strijd is met artikel 20.3 van de Wet milieubeheer omdat het inwerkingtredingstijdstip onjuist is bepaald. Artikel 20.3 bepaalt dat een besluit in werking treedt na afloop van de bezwaar- of beroepstermijn van zes weken, tenzij een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend. De Raad stelde vast dat de tekst en wetsgeschiedenis van artikel 20.3 geen ruimte bieden voor afwijking van dit tijdstip.

De Raad van State verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het bestreden besluit. Daarnaast werd de gemeente Ermelo veroordeeld tot betaling van de proceskosten en het griffierecht aan appellant. Hiermee werd het besluit tot intrekking van het veebestand ongeldig verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van het veebestand wordt vernietigd.

Uitspraak

200104820/1.
Datum uitspraak: 27 maart 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant]
appellant,
en
burgemeester en wethouders van Ermelo,
verweerders.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 augustus 2001, kenmerk 0115158, hebben verweerders met toepassing van artikel 8.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer, de bij besluiten van 18 november 1981, kenmerk 12.780, en 13 november 1985, kenmerk 63.091, aan ‘[vergunninghouder] krachtens de Hinderwet verleende revisie- en veranderingsvergunning voor een kuikenmesterij gelegen aan de [lokatie] te [plaats], ingetrokken voor het houden van 16.975 vleeskuikens. Voorts hebben verweerders geweigerd de genoemde besluiten in te trekken voorzover het betreft het houden van 25.025 vleeskuikens. Dit aangehechte besluit is op 16 augustus 2001 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 26 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 15 november 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door N.K.J. Wiggers en M.N. Westbroek, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het ingetrokken veebestand betreft het houden van 16.975 vleeskuikens.
2.2. Verweerders hebben ter zitting gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is.
Ingevolge artikel 20.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:
a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;
b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;
c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;
d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.
Anders dan verweerders hebben gesteld vindt het beroep wel zijn grondslag in de bedenkingen waarin immers is aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd met artikel 20.3 van de Wet milieubeheer is. Het beroep is daarom ontvankelijk.
2.3. Appellant betoogt dat in strijd met artikel 20.3 van de Wet milieubeheer in het dictum van het bestreden besluit is bepaald dat de intrekking in werking treedt met ingang van de dag dat de vergunning voor de inrichting aan de [lokatie] te [plaats] onherroepelijk wordt.
2.3.1. Ingevolge artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer treedt een besluit als bedoeld in artikel 20.1, eerste lid, in werking na afloop van de bezwaar- of beroepstermijn van zes weken. Indien binnen die termijn een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, treedt het besluit in werking nadat op het verzoek is beslist.
2.3.2. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 6 februari 2002, no. 200102186/1 (aangehecht), heeft overwogen biedt de tekst van artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer geen aanknopingspunten voor een uitleg van die bepaling die inhoudt dat in een besluit als het onderhavige een ander tijdstip van inwerkingtreding kan worden bepaald dan voortvloeit uit deze bepaling. De wetsgeschiedenis biedt evenmin steun voor een dergelijke uitleg. Artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer verzet zich er derhalve tegen dat bij een besluit als het onderhavige wordt bepaald dat het op een later tijdstip in werking treedt dan in dat artikellid is bepaald.
2.4. Het beroep is derhalve gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
2.5. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Ermelo van 8 augustus 2001, kenmerk 0115158;
III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Ermelo in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Ermelo te worden betaald aan appellant;
IV. gelast dat de gemeente Ermelo aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.
Aldus vastgesteld door drs. E.L. Berg, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.
w.g. Berg w.g. De Vink
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2002
154-374.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,