ECLI:NL:RVS:2002:AE0731
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.H. Lauwaars
- R.J. Hoekstra
- P.J.J. van Buuren
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing vergunningen mechanische kokkelvisserij in de Waddenzee
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde beroepen van milieuorganisaties tegen vergunningen verleend aan de Coöperatieve Producentenorganisatie van de Nederlandse Kokkelvisserij U.A. voor mechanische kokkelvisserij in de Waddenzee in de jaren 1999 en 2000. Appellanten voerden aan dat deze visserij schadelijke effecten heeft op de bodem, flora, fauna en voedselvoorziening voor vogels, en dat het voorzorgsbeginsel onvoldoende is toegepast. Tevens werd betoogd dat de vergunningen in strijd zijn met de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn.
De Raad stelde vast dat de vergunningen jaarlijks worden herzien en gebaseerd zijn op wetenschappelijk onderzoek, waaronder een literatuurstudie en een deskundigenbericht. Hoewel er onzekerheden en kennisleemten zijn over de effecten van kokkelvisserij, achtte de Afdeling het beleid en de vergunningverlening in overeenstemming met het voorzorgsbeginsel en de beleidskaders zoals de PKB-Waddenzee en de Structuurnota. Ook de quota en controlemaatregelen werden als redelijk beoordeeld.
Ten aanzien van het gemeenschapsrecht concludeerde de Afdeling dat artikel 12 van Pro de Natuurbeschermingswet richtlijnconform kan worden uitgelegd, maar dat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn niet is geïmplementeerd in het nationale recht. Daarom stelde de Afdeling prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de uitleg van de begrippen "plan of project", de verhouding tussen de leden van artikel 6, de criteria voor passende beoordeling en maatregelen, het voorzorgsbeginsel en de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn.
Uitkomst: De vergunningen voor mechanische kokkelvisserij in de Waddenzee worden bevestigd, maar prejudiciële vragen over de uitleg van artikel 6 van de Habitatrichtlijn worden aan het Hof van Justitie voorgelegd.