ECLI:NL:RVS:2002:AE0921
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
Appellant had een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de Staatssecretaris van Justitie op 15 januari 2002 werd afgewezen. Tegen dit besluit stelde appellant beroep in bij de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant de gronden van het beroep niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn had ingediend.
Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de wettelijke beroepstermijn op grond van artikel 69, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, gelezen in samenhang met artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op 22 januari 2002 om 24.00 uur eindigde. Appellant had de beroepsgronden vóór het einde van deze termijn ingediend, ook al was de door de rechtbank gestelde hersteltermijn op dat moment verstreken.
De Afdeling oordeelde dat het stellen van een termijn voor het indienen van beroepsgronden door de rechtbank niet afdoet aan de wettelijke beroepstermijn. De rechtbank had dit miskend door het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling.
De Afdeling reserveerde de beslissing over de proceskostenveroordeling in hoger beroep tot de einduitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen.