ECLI:NL:RVS:2002:AE0952

Raad van State

Datum uitspraak
3 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200105169/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Th.G. Drupsteen
  • M.J. van der Zijpp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20.6 Wet milieubeheerArt. 3:24 Algemene wet bestuursrechtArt. 8.4 Wet milieubeheer
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdig en onvoldoende gemotiveerde bedenkingen tegen revisievergunning

Bij besluit van 28 augustus 2001 verleenden gedeputeerde staten van Utrecht een revisievergunning voor een inrichting aan een vergunninghouder. Dit besluit werd op 5 september 2001 ter inzage gelegd. Appellant stelde bij brief van 17 oktober 2001 beroep in tegen dit besluit, maar gaf slechts aan dat hij bedenkingen had zonder deze te specificeren.

Volgens artikel 3:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht moeten bedenkingen binnen vier weken na terinzagelegging worden ingediend en ten minste beknopt worden gemotiveerd. Appellant voldeed hier niet aan. Ook na een voorafgaande aankondiging konden geen ontvankelijke bedenkingen meer worden ingediend. De door appellant genoemde belemmering om de milieuverordening in te zien wegens ontzegging van toegang tot de provinciale bibliotheek werd niet als rechtvaardiging geaccepteerd.

De Raad van State oordeelde dat het bestreden besluit overeenkomstig de wettelijke procedure tot stand is gekomen en dat appellant redelijkerwijs kan worden verweten geen ontvankelijke bedenkingen te hebben ingebracht. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig en onvoldoende gemotiveerd indienen van bedenkingen.

Uitspraak

200105169/1.
Datum uitspraak: 3 april 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
{appellant],
appellant,
en
gedeputeerde staten van Utrecht,
verweerders.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 augustus 2001, kenmerk 2001WEM002921i, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het opslaan en verwerken van autowrakken, verkopen van schadeauto’s, het verkopen van gebruikte en nieuwe onderdelen en banden en het inzamelen van wit- en bruingoed en schroot als inzamelplaats voor de gemeente De Bilt, gelegen aan de [lokatie] te [plaats]. Dit aangehechte besluit is op 5 september 2001 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 17 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 november 2001. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 14 december 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2002, waar appellant in persoon, en bijgestaan door mr. J.A.W. Enoch, advocaat te Utrecht, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. J.L. Rosch en mr. M.J.B. Bruggeman, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gemachtigde, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:
a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;
b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;
c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;
d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.
2.2. Appellant heeft gedurende de termijn, gesteld in artikel 3:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, die begon op 14 juli 2001, slechts meegedeeld dat bij hem bedenkingen bestonden. Niet is vermeld waaruit die bestaan. Van het indienen van bedenkingen in de zin van artikel 3:24 is Pro slechts sprake indien ten minste beknopt is aangeduid waarom de indiener zich niet met het ontwerp van het besluit kan verenigen. Buiten de in artikel 3:24 gestelde Pro termijn van vier weken kunnen ook na een voorafgaande aankondiging binnen die termijn niet alsnog ontvankelijke bedenkingen worden ingediend. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing.
Tot slot is evenmin gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten geen ontvankelijke bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door appellant genoemde omstandigheid dat hem vanwege zijn optreden op 7 augustus 2001 de toegang tot de provinciale bibliotheek is ontzegd, ten gevolge waarvan hij de provinciale milieuverordening niet heeft kunnen inzien. Verweerders stellen zich terecht op het standpunt dat dit niet afdoet aan het feit dat het bestreden besluit overeenkomstig de wettelijke (procedure)bepalingen tot stand is gekomen, en derhalve evenmin aan het vereiste dat tijdig ontvankelijke bedenkingen dienen te worden ingebracht.
2.3. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen w.g. Van der Zijpp
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2002
262-415.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,