ECLI:NL:RVS:2002:AE0969
Raad van State
- Hoger beroep
- E.M.H. Hirsch Ballin
- S. Zwemstra
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens intrekking belang bij urgentieverklaring
Appellant had beroep ingesteld tegen het besluit van burgemeester en wethouders van Rotterdam om geen urgentieverklaring toe te kennen. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de arrondissementsrechtbank die het beroep ongegrond verklaarde, stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State.
Tijdens de zitting bleek dat appellant inmiddels alsnog urgent is verklaard conform artikel 2.6.1 van de Huisvestingsverordening Rotterdam 1999. Hierdoor is het belang bij het hoger beroep komen te vervallen.
De Raad van State oordeelde dat het ontbreken van belang leidt tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer op 3 april 2002.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang.