ECLI:NL:RVS:2002:AE1167

Raad van State

Datum uitspraak
8 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200200961/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • B. van Wagtendonk
  • H.W. Groeneweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 31 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering verblijfsvergunning asiel

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de Staatssecretaris van Justitie is afgewezen op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De voorzieningenrechter heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het hoger beroep is beslist.

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het belang van verzoeker lag in het voorkomen van uitzetting tijdens de procedure. Echter, het was niet aannemelijk dat het hoger beroep zou leiden tot vernietiging van de uitspraak met een gunstig resultaat voor verzoeker, mede omdat verzoeker geen gronden had aangevoerd tegen het oordeel dat de aanvraag terecht was afgewezen op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd openbaar gedaan op 8 maart 2002.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen is afgewezen.

Uitspraak

Raad
van State
200200961/2.
Datum uitspraak: 8 maart 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 12 februari 2002 in het geding tussen:
verzoeker
en
de Staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 23 januari 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij uitspraak van 12 februari 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 februari 2002, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij bij faxbericht van 7 maart 2002 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2. Overwegingen
2.1. Het gestelde belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening is hierin gelegen, dat wordt voorkomen dat hij wordt uitgezet zolang er niet is beslist op het door hem ingestelde hoger beroep.
2.2. Niet op voorhand is buiten twijfel dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep in stand zal blijven. Verzoeker is voorts medegedeeld dat hij heden om 19.00 uur zal worden uitgezet. Toch komt het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking. Immers, het moet in dit geval redelijkerwijs uitgesloten worden geacht dat een eventuele vernietiging van de aangevallen uitspraak uiteindelijk zal leiden tot een voor verzoeker in materiële zin gunstig resultaat, te weten het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daarbij is van belang dat verzoeker in hoger beroep geen grieven heeft ontwikkeld tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de staatssecretaris op goede gronden heeft geoordeeld dat de aanvraag van verzoeker op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van die wet, kon worden afgewezen. Een afweging van de belangen leidt de voorzitter in dit geval tot afwijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
2.3. Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, als Voorzitter,
in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Wagtendonk w.g. Groeneweg
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2002
32-346.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,