ECLI:NL:RVS:2002:AE1617
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W. Konijnenbelt
- H. Beekhuis
- M. Oosting
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vergunningvoorschrift wegens onvoldoende milieubescherming bij lozing niet-vergunde stoffen
Het dagelijks bestuur van Waterschap Zeeuwse Eilanden verleende aan HTC De Poort b.v. een vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) voor het lozen van afvalwater op de gemeentelijke riolering. Appellante stelde beroep in tegen dit besluit, met name gericht op de coördinatie tussen deze vergunning en de Wet milieubeheer, de bepaling van vervuilingswaarde, het waterbeheersplan en voorschrift 3, vierde lid, van de vergunning.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk was voor de coördinatiepunten omdat appellante geen bedenkingen had ingebracht tegen het ontwerpbesluit. Het beroep werd ingetrokken voor de biologische zuiveringsinstallatie. De Afdeling beoordeelde vervolgens het vierde lid van voorschrift 3, dat een procedure bevat voor het lozen van stoffen die niet op de toegestane stoffenlijst staan. Dit voorschrift voorziet niet in voorafgaande toestemming en geen termijn voor beoordeling, waardoor een onbegrensde lozingsmogelijkheid ontstaat.
De Afdeling stelde vast dat dit voorschrift niet voldoet aan artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer, omdat het onvoldoende bescherming biedt tegen nadelige milieugevolgen. Andere beroepsgronden, zoals stankhinder en mogelijke lozing bij hevige regenval, werden ongegrond verklaard. De Afdeling vernietigde het besluit voor het betreffende voorschrift en beval het Waterschap aan binnen twee maanden een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het Waterschap veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan appellante te vergoeden.
Uitkomst: Het vierde lid van voorschrift 3 van de vergunning is vernietigd wegens onvoldoende milieubescherming; het beroep is deels gegrond verklaard.