ECLI:NL:RVS:2002:AE1814
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A.E. van der Does
- E. Korthals Altes
- J.A.M. van Angeren
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van opleidingsverplichting voor advocaten ondanks bezwaren op grond van EVRM en Grondwet
De zaak betreft het hoger beroep van een advocaat tegen de weigering van de algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten om hem ontheffing te verlenen van de verplichte permanente opleidingsverplichting. De appellant stelde dat deze verplichting onverbindend is wegens strijd met diverse artikelen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESC), de Grondwet en de Advocatenwet.
De Raad van State overwoog dat de opleidingsverplichting niet kan worden aangemerkt als dwangarbeid in de zin van artikel 4 EVRM Pro, mede gelet op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Ook werd geoordeeld dat de opleidingsverplichting geen inbreuk maakt op het recht op eerbiediging van het privéleven (artikel 8 EVRM Pro) of op de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst (artikel 9 EVRM Pro), aangezien de Verordening voldoende keuzevrijheid biedt in de wijze van opleiding.
Verder werd vastgesteld dat er geen strijd is met het recht op vrije keuze van arbeid zoals neergelegd in artikel 19, derde lid, van de Grondwet. Het beroep op het ontbreken van een wettelijke delegatie in artikel 28 van Pro de Advocatenwet faalde omdat geen inbreuk op grondrechten werd vastgesteld. De Afdeling oordeelde ook dat het restrictieve ontheffingsbeleid van de algemene raad redelijk is en dat appellant geen bijzondere omstandigheden had aangetoond die ontheffing rechtvaardigen.
Ten slotte werd het beroep op schending van de redelijke termijn (artikel 6 EVRM Pro) verworpen. De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de opleidingsverplichting blijft van kracht.